RUIMTE
Wat ik hoor
is de klank
van een kinderstem
die komt en gaat
het ruisen
van de zee
en de wind.
Wat ik zie
is een naamloze vogel
hij vliegt
langs wit omrande wolken
in een ruimte
die hem draagt
die hij is.
Wat ik voel
is opperste
verbazing
in het binnenste
van mijn buik
die baant zich nu
een weg naar buiten.
Wat ik mis
is een hand
die me meeneemt
om een kleur te zien
een steen te voelen
een vallend blad te vangen
in de herfstzon.
Wat ik krijg heeft geen substantie
het stroomt door aderen en rivieren
schijnt neer
op een verlaten binnenplaats
en legt zich te rusten
in de holte
van mijn bestaan.