EEN BLAUWE JONGEN
In een verre uithoek
ligt een jongen te staren
naar zijn eigen droom,
zijn eigen hemel.
Het is een zachtblauw deel
van de wereld
en hij zal het nooit vergeten.
Nu ligt hij er weer
en hij pijnigt zijn gemoed
met de hunkering
naar wat hij
nooit vergeten zou.
Het moet er nog zijn,
ergens dichtbij,
diep vanbinnen.
Wat hij vindt
herkent hij niet.
Het is
alsof hij een oneindige
duistere ruimte
is binnengegaan.
Er is geen genade
voor wie zichzelf
vergeten is
en niet meer weet
hoe hij eruit zag
vóór hij werd ingevuld.