Rupert, is het mogelijk om Bewustzijn te definiëren of te omschrijven? Wat is Bewustzijn?
Het is niet mogelijk om het te definiëren of zelfs maar te omschrijven. Maar dat betekent niet dat we het niet kunnen oproepen of er niet naar kunnen verwijzen. Bewustzijn heeft geen objectieve eigenschappen, en toch is het onmiskenbaar aanwezig. Er is iets wat de situatie van dit moment kent of ervaart. Deze woorden worden bijvoorbeeld gehoord, lichamelijke gewaarwordingen worden ervaren, en gedachten worden gekend, door ‘iets’. Dit ‘iets’ wat ervaart en kent, wordt Bewustzijn of Gewaarzijn genoemd, omdat het zowel aanwezig als bewust is. Het is zich bewust van gedachten, maar bestaat zelf niet uit gedachten, want als een gedachte voorbijgaat, blijft het bestaan, en is het zich bewust van de volgende ervaring: de aanblik van deze kamer, het geluid van de auto die langsrijdt, of wat dan ook. Zo is het zich ook bewust van lichamelijke gewaarwordingen en waarnemingen van de wereld, maar bestaat het daar niet uit. Bewustzijn of Gewaarzijn bestaat dus niet uit het denken, het lichaam of de wereld. Toch twijfelen we er niet dat ‘ik ben’, en dat dat ‘ik’ zich ook bewust of gewaar is. Maar als we naar die aanwezigheid, die we onmiskenbaar zijn, willen kijken, dan weten we niet eens welke kant we op moeten kijken. Dat verwart ons. We weten dat we er zijn, maar we kunnen die aanwezigheid nergens vinden als object. De zekerheid waarmee we de vraag ‘Ben ik me bewust?’ beantwoorden met ‘Ja’, komt voort uit onze onmiddellijke ervaring. Wat is het dan dat die aanwezigheid van Bewustzijn kent? Dat kan alleen maar iets zijn wat zelf aanwezig en bewust is. Alleen Bewustzijn kan dus Bewustzijn kennen. Het kennen van ons eigen bestaan is daarom de ervaring van Bewustzijn dat zichzelf kent. Het is de meest eenvoudige, voor de hand liggende en intieme ervaring die mogelijk is. Iedereen heeft die ervaring, en toch wordt hij ogenschijnlijk over het hoofd gezien. Maar je kunt er niet eens aan twijfelen.
Waarom ziet Bewustzijn zijn eigen aanwezigheid dan voortdurend over het hoofd?
De waarom-vraag is een verraderlijke, want met die vraag – ‘waarom ziet Bewustzijn zichzelf over het hoofd?’ – veronderstellen we op de eerste plaats al dat dat het geval is! We nemen al aan dat het zichzelf over het hoofd ziet. Vervolgens vragen we: waarom doet het dat? Maar Bewustzijn ziet zichzelf nooit werkelijk over het hoofd. Bewustzijn houdt nooit echt op met het kennen van zichzelf. Het ziet nooit iets anders dan zichzelf. Alleen het denken beeldt zich in dat er los van Bewustzijn dingen bestaan. Met die waarom-vraag creëren we dus de dualiteit waar we vervolgens een oorzaak voor proberen te vinden. Het antwoord op de vraag ‘Waarom is er onwetendheid, waarom ziet Bewustzijn zichzelf over het hoofd?’ is dus: ‘Vanwege die vraag’. Onwetendheid wordt in het leven geroepen door te vragen naar de oorzaak ervan.
Als Bewustzijn alleen zichzelf ervaart, is de wereld dan zijn spiegelbeeld?
Nee! Dat is hetzelfde als zeggen dat de wereld geschapen is zodat Bewustzijn zich zou kunnen herkennen in zijn eigen spiegelbeeld. Dat is de arrogantie van het denken, dat zegt: Bewustzijn heeft een lichaam of geest nodig om zichzelf te kunnen kennen, of: Bewustzijn moet weerspiegeld worden in de wereld om gezien te kunnen worden. Maar Bewustzijn kent zichzelf nooit door middel van het denken. Het hoeft niet weerspiegeld te worden. Het kent zichzelf vanuit zichzelf, door zichzelf, in zichzelf, als zichzelf. Het heeft helemaal geen hulp nodig – noch van het denken, noch van het lichaam of de wereld – om zichzelf te kunnen kennen.
Maar hoe zit het dan met de diepe slaap? In de diepe slaap wordt er helemaal niets gekend.
Als we aan de diepe slaap denken, doen we dat vanuit het perspectief van de waaktoestand. We zien de diepe slaap dus als een tijdsperiode van bijvoorbeeld vier uur zonder enige objectieve inhoud. We denken dat de diepe slaap leeg en doorzichtig is en dat er dan niets te kennen valt, maar dat hij wel bestaat in de tijd. Maar dat is het idee over diepe slaap dat we in de waaktoestand hebben en waarover we in termen van de waaktoestand nadenken. Het is geen beschrijving van de diepe slaap vanuit de diepe slaap, wat natuurlijk ook onmogelijk is. En die kijk op de diepe slaap vanuit de waaktoestand bestaat dus uit begrippen waarmee het denken in de waaktoestand werkt. Met andere woorden, we brengen het begrip tijd erin, en denken dat de waaktoestand de tijdsdimensie bevat, dus voortduurt, en dat dat daarom ook voor de diepe slaap geldt. Maar zonder denken bestaat er geen tijd. Tijd is nooit een ervaring. Het is niet meer dan een concept. Diepe slaap duurt dus geen vier uur. Ze is tijdloos. Het is een tijdloze ervaring. In feite heeft zelfs de waaktoestand geen duurzaam bestaan binnen de tijd. Het is altijd Nu. Het denken verdeelt de ongedeeldheid van de ervaring in tweeën: een afzonderlijk, innerlijk zelf dat zich beweegt in een wereld buiten zichzelf. Vanuit dat idee lijkt de tijd zijn intrede te doen. Tijd is alles waarvan het denken zegt dat het ‘niet-Nu’ is. Maar alles is alleen maar Nu, zowel in de waaktoestand als in de diepe slaap! De diepe slaap kent geen bestaan in de tijd. De diepe slaap is hetzelfde Nu als dit Nu. Er is maar één Nu, en dat is eeuwig. We kunnen niet eens zeggen dat het één is. Dan zou je er een eigenschap of naam aan verbinden. Je kunt beter zeggen dat het ‘niet-twee’ is. We moeten ons eerst inbeelden dat we een afzonderlijk, innerlijk zelf zijn vóór we kunnen denken dat we van de waaktoestand naar de droomtoestand reizen, en van de droomtoestand naar de diepe slaap en weer terug. Dat beeldt het denken zich alleen maar in. Bewustzijn valt nooit in slaap. Het gaat nooit ergens heen. Het bevindt zich nooit in enige toestand. Het is net een televisiescherm. Het is altijd hetzelfde, en bevindt zich op een plaats die geen plaats is. Alle ogenschijnlijke toestanden van waken, dromen en slapen spelen zich er in af. Bewustzijn bevindt zich niet in een toestand. In feite kent Bewustzijn geen binnen- of buitenkant. Bewustzijn is dimensieloos en kan onmogelijk gekend worden, ondanks het feit dat het denken uit Bewustzijn bestaat. Bewustzijn houdt daarom nooit op zijn eigen wakkere, altijd-aanwezige, lichtende zelf te zijn en te kennen. Alle vergeten en herinneren, alle schijnbare waken, dromen en slapen maken deel uit van het denken, niet van Bewustzijn.
Maar als het geen inhoud heeft, wat valt er dan te kennen?
Je vraag gaat er vanuit dat Bewustzijn iets anders dan zichzelf kent als er sprake is van inhoud. Dat ‘iets’ wordt een object, ander of wereld genoemd. Maar er is nooit zelfs ook maar iets aanwezig dat het kent. Er is alleen kennen of ervaren, en dat is Bewustzijn. Het kent nooit objecten. Om een ogenschijnlijk object te kunnen kennen, moet het denken het ongedeelde, pure ervaren in tweeën delen: een subject – het afzonderlijke, innerlijke zelf - en zijn tegenpool – een object, ander of wereld buiten zichzelf. Als het duidelijk wordt dat het subject - het afzonderlijke, innerlijke zelf - niet bestaat, wordt het tegelijkertijd duidelijk dat er ook geen object, ander of wereld bestaat, want subject en object zijn slechts twee kanten van dezelfde medaille. Er bestaat maar één ding, puur ervaren, en dat bestaat uit Bewustzijn. Er bestaat alleen maar Bewustzijn dat zichzelf kent. De naam die je aan dat kennen geeft is ‘zelf’, ‘object’, ‘ander’ of ‘wereld’. We zouden ook kunnen zeggen: er is alleen maar ervaren, kennen of zien. Dan maken we geen concept van Bewustzijn, noch van de wereld. Er is alleen de pure intimiteit van het ervaren, waarin geen afzonderlijke onderdelen, objecten, entiteiten, zelven of een wereld te onderscheiden zijn. Bewustzijn doordringt alle ervaren, kennen en zien. Ervaren, kennen en zien zijn gewoon andere namen voor Bewustzijn. Ervaren bestaat maar uit één substantie. Er wordt niets door iets anders weerspiegeld. Er is alleen maar Bewustzijn dat zichzelf eeuwig in het Nu kent, is en, vanwege die absolute intimiteit, ook liefheeft.
Het probleem is dat als we het woord ‘zien’ of ‘horen’ gebruiken, dat dat twee dingen veronderstelt: iemand die ziet en iets wat gezien wordt.
Precies. We gaan uit van het idee van ‘iemand die ziet’ hier (wijst naar zijn hoofd), en ‘iets wat gezien wordt’ daar (wijst naar de muur), maar beide entiteiten – ‘ik’ en ‘de muur’ – zijn afgeleiden van de Eenheid van puur zien. Maar als we gaan kijken waar dat zien dan uit bestaat, vinden we alleen maar Bewustzijn. Dat wil zeggen: het ‘vindt’ zichzelf. Er is niets anders, zelfs niet in iets wat heel stevig is (klopt op de muur achter hem). Het denken zegt dat dit iets heel stevigs is dat bestaat uit iets anders dan Bewustzijn dat ‘materie’ genoemd wordt. Maar als we hem benaderen vanuit de directe ervaring ontdekken we dat we niet méér over die muur weten als we hem aanraken dan wat we nu waarnemen. Als je je ogen dichtdoet, en je verwijdert alle etiketten die het denken gewoontegewijs op deze ervaring plakt en je gaat gewoon af op wat je voelt, zit er dan een etiket op dat aangeeft ‘Ik ben hard, ik ben stevig, ik ben zestig jaar oud’? Nee, de gevoelsgewaarwording verschijnt gewoon. En die is hoogstens twee sekonden oud, nee, niet eens dat! Hij bevindt zich altijd in het tijdloze Nu. Die gewaarwording heeft niets stevigs. Alles wat die gewaarwording bevat is het kennen, ervaren of voelen ervan. En is voelen op zichzelf stevig, hard, onbeweeglijk? Nee! Het is doorzichtig, levend, gewichtloos, intiem, vers. Het straalt uit zichzelf en bestaat uit niets anders dan ‘kennen’ of Gewaarzijn.
Maar als je kijkt op hetzelfde moment dat je voelt, verplaats je het voelen naar het zien.
Ja. Het denken lijmt al die elementen – wat gevoeld, gezien, herinnerd wordt – aan elkaar en construeert daar dat stevige, fraaie, zestig jaar oude huis mee. Maar zo’n huis is een abstractie en geen ervaring. Het enige wat er daadwerkelijk is, is ervaren, voelen of zien dat doortrokken is van Bewustzijn. Bewustzijn is alles wat er is. ‘Hardheid’, ‘afstand’, ‘leeftijd’, ‘stevigheid’, ‘anders zijn’ zijn allemaal etiketten die het denken op de pure intimiteit en onschuld van de ervaring geplakt heeft.
Je hebt geschreven dat de identiteit van Bewustzijn zich kenbaar maakt als geluk en liefde. Kun je daar wat meer over zeggen?
Als je iemand vraagt waar hij werkelijk naar verlangt, is het antwoord meestal: geluk, vrede of liefde. Als we een verlangen koesteren om geluk te vinden, lijkt dat geluk dus niet aanwezig te zijn. We gaan dan af op een object waarvan we denken dat het dat geluk gaat voortbrengen. Die zoektocht naar geluk is een beweging van het denken. Het is een zoektocht waarin dat wat is wordt afgewezen, ten gunste van iets waarvan gedacht wordt dat het ons in de toekomst geluk zal schenken. In feite is het afzonderlijke, innerlijke zelf geen entiteit, maar meer de activiteit van het afwijzen van dat wat is en het zoeken naar dat wat niet is. Als het gezochte object in bezit genomen is, komt het zoeken per definitie tot stilstand. Op dat moment lost het dualistische denken dat het ervaren verdeelt in een ‘ik’ hier en een ‘object’ daar op en laat het geluk zich zien en voelen dat in feite altijd aanwezig is, maar ogenschijnlijk wordt versluierd door het zoekende denken. Op dat tijdloze moment proeven we ons ware Zelf. Het proeft Zichzelf. Maar vervolgens komt het denken weer tevoorschijn en meent het dat het object dat geluk voortgebracht heeft. En dan gaat het op een volgend object af waarvan het gelooft dat het diezelfde ervaring weer teweeg zal brengen. Het denken interpreteert de gelukservaring dus volkomen verkeerd. De ervaring zelf was het oplossen van het zoeken en de weerstand, en maakte het zo mogelijk dat onze ware natuur eventjes helder voelbaar werd. Maar in feite is hij niet eventjes voelbaar. Hij is altijd voelbaar. Hij is tijdloos, want als het denken oplost, lost de tijd op. Geluk is altijd een tijdloze ervaring. Maar als het denken weer tevoorschijn komt, plaatst het het geluk natuurlijk binnen zijn eigen begrippenkader van tijd en ruimte. Met de liefde is het precies hetzelfde. Iedereen die ooit verliefd is geweest, weet dat in die ervaring alles bezwijkt wat ons ogenschijnlijk uit elkaar houdt, scheidt en op afstand houdt. Het is eigenlijk het instorten van het ‘anders-zijn’. Het is een gevoel van totale intimiteit. Het is het onbreken van alle grenzen en begrenzingen die ons van elkaar lijken te scheiden. Het afzonderlijke zelf is opgebouwd uit die denkbeeldige begrenzingen. Liefde is dus het oplossen of sterven van het afzonderlijke zelf. Op dat tijdloze moment sterft het afzonderlijke zelf. Dat is waar iedereen naar verlangt: sterven aan het afzonderlijke, innerlijke zelf. Zelfs mensen die nog nooit over deze dingen nagedacht hebben, zeggen op zo’n liefdesmoment ‘ ik voel me één met je’, ‘ik ben in je verdwenen’. En ze hebben gelijk!
Het is dus een soort herkenning.
Ja. Nogmaals: op dat moment herkent of proeft ons ware Zelf Zichzelf. We proeven dat er maar één substantie bestaat – pure intimiteit – en dat alles niets anders is dan dat.
Vond in jouw geval het vinden van je ware natuur in één keer plaats, of ging het geleidelijk?
Van jongs af aan had ik een diepe intuïtie dat de dingen volkomen anders zijn dan ze lijken. Toen ik ongeveer vijftien was, begon ik Shankaracharya te lezen, daarna las ik twintig jaar lang andere klassieke advaitaboeken, tot ik mijn leraar Francis Lucille ontmoette. Toen kwamen er heel snel momenten waarin de werkelijkheid helder gezien werd. Ik zal een voorbeeld geven. Ik zat in satsang met Francis in Californië, kort nadat ik hem ontmoet had, en ik hoorde een hond in de verte blaffen terwijl hij het had over de illusie van afgescheidenheid en afstand. Ik zei tegen hem: “Is het niet duidelijk dat dat geluid aan de andere kant van het dal plaatsvindt, dat die hond zich verderop bevindt en niet hier?’ Hij antwoordde: ‘Leg je handen eens op het tapijt.’ Ik plaatste mijn handen voor me op het tapijt, en toen zei hij: ‘Waar bevindt die gewaarding zich nu?’ En op dat moment wist ik: ‘Ja, die vindt plaats in mij! Wat ik ook mag zijn, wat dat ‘ik’ ook moge zijn, die gewaarwording vindt binnenin plaats.’ Toen hoefde ik nog maar één stap te zetten. Als die gewaarwording die we ‘tapijt’ noemen binnenin plaatsvindt, waar vindt dan de gewaarwording die we ‘hond’ noemen plaats? En toen (klapt in zijn handen): ‘Ah, ja!’ Toen moest ik lachen. Ik deed mijn ogen open en ik lachte. Het was zo ontzettend duidelijk dat geluiden in mijzelf plaatsvinden, wat dat ‘zelf’ dan ook moge zijn. Het denken gelooft dat ‘ik’ me hier in mijn hoofd bevindt en dat de hond zich daar ergens in de buitenwereld bevindt, maar de feitelijke ervaring is dat geluid net als alle andere dingen in mijzelf plaatsvindt. En als alles in mijzelf verschijnt, waar zou het dan nog meer uit kunnen bestaan dan uit mijzelf? Er zit niets in mij behalve mezelf waaruit ik zou kunnen bestaan! Dat was een moment van volkomen helder zien. In de beginjaren, toen ik mediteerde en Ramana Maharshi en Nisargadatta bestudeerde, voelde ik intuïtief aan dat het waar was wat ze zeiden, maar het was niet mijn eigen ervaring geweest. Maar toen, op dat tijdloze moment, was er het gevoel: ‘Ja, het is waar!’
Francis liet het je zelf ontdekken.
Het enige wat hij vroeg was: waar vindt die gewaarwording plaats? En zelfs als Boeddha zelf was verschenen en me had gezegd dat de dingen buiten mezelf plaatsvinden, zou ik nog gezegd hebben: dat kan best, maar voor mij is het binnenin. Zo zeker was ik daarvan. Dus toen alle oude gewoonten van denken en voelen namens de afzonderlijke entiteit weer terugkwamen, hoefde ik alleen maar terug te gaan naar mijn ervaring en van daaruit weer opnieuw te beginnen. Ik had de sleutel gevonden, en met die sleutel onderzocht ik al mijn ervaringen, en op den duur bleken alle ervaringen binnenin plaats te vinden en alleen uit mijzelf te bestaan, niet mij’zelf’ als lichaam of geest, maar mijn Zelf, die lichtende aanwezigheid van Bewustzijn. En eigenlijk ook niet binnenin, want Bewustzijn heeft geen binnen- en buitenkant. Alles bleek die tijdloze, plaatsloze aanwezigheid van Bewustzijn te zijn die ik zo goed ken als mijzelf. Maar het kostte ogenschijnlijk nogal wat tijd heel mijn ervaringswereld aan dit inzicht aangepast te krijgen. Het was me duidelijk geworden dat het Bewustzijn dat ik ben zich nergens bevindt en dat het niet geboren is en ook nooit zal sterven. Maar ik voelde me nog steeds begrensd in plaats en tijd. Die tegenstrijdigheid – denken dat ik niet aan plaats gebonden Bewustzijn ben, en toch het gevoel hebben op een stoel te zitten – was onverdraaglijk. Dat was een ervaringsstuk dat nog niet in mijn inzicht geïntegreerd was. Dat betekende niet dat mijn inzicht onoprecht of onecht was. Ik wist vanuit mijn eigen ervaring dat het waar was, maar niet elk aspect van mijn voelen en waarnemen had zich automatisch en onmiddellijk aan dat inzicht aangepast. Uit interesse, uit liefde, uit nieuwsgierigheid onderzocht ik mijn gewaarwordingen en waarnemingen - dat wil zeggen, van het lichaam en de wereld - steeds diepgaander, tot ook die op den duur oplosten in dat inzicht.
Maar daar kun je niet voor kiezen. Dat moet spontaan gebeuren, net als alle andere dingen.
Ik heb nergens voor gekozen. Keuzes worden gemaakt, maar er is niemand die kiest. Alles verschijnt, net als het weer – zonder dat je er voor kiest!