Isaac, waar verwijst de term ‘non-dualiteit’ volgens jou naar?
Die verwijst naar dat wat is, naar wat werkelijk is. Onze aandacht is zodanig gefocust geraakt dat ze de ervaring van ‘mij’ en ‘jij’ teweegbrengt. Maar dat is niet meer dan een aandachtsgewoonte die de dingen anders maakt dan ze in werkelijkheid zijn. Want onze taal zet alles om in zelfstandige naamwoorden, in objecten. We hebben het over een boom of een persoon, terwijl het in werkelijkheid meer iets is als bomen en personen. Het zijn processen die aan de gang zijn. Onze ogen nemen tachtig procent waar van alles wat we waarnemen. Ze leren zich te richten op objecten. Maar een baby heeft die gewoonte nog niet ontwikkeld. Als je een baby in de ogen kijkt, krijg je vaak het gevoel dat je rechtstreeks bij hem naar binnen kijkt. Ogen zijn niets anders dan gaten die het licht binnenlaten. Dat kun je zelf ook ervaren, zelfs nu, terwijl we met elkaar spreken. Stel je gewoon voor dat je ogen gaten zijn, en dat het licht van het nu binnenstroomt. Je hoeft helemaal geen moeite te doen om je blik ergens op te richten. Je laat gewoon het licht van het nu binnenstromen. Veel mensen geven aan dat er dan iets bijzonders gebeurt. Elk gevoel van begrenzing verdwijnt dan.
Er wordt niets meer tegengehouden.
Alles wordt toegelaten. Maar wat aan onze aandachtsgewoonte vasthangt is niet alleen het gevoel dat we over het universum hebben, maar ook het gevoel over onszelf. Zodra onze aandacht gericht wordt op iets buiten onszelf, is er sprake van angst, een gevoel van een ik en een jij, en hoe ik in relatie tot jou sta, en al dat soort dingen. Je kunt zeggen dat dat een zekere overlevingswaarde heeft, maar tegelijkertijd nemen we de wereld als iets buiten ons waar, in plaats van iets binnenin ons. Want als we werkelijk diep kijken, kunnen we zien dat wat we de wereld noemen – materie, energie, ruimte, tijd, leven, het universum – in feite allemaal een ervaring voor ons is. En dat geldt ook voor ons lichaam. Hoe weten we dat we een lichaam hebben? We voelen het, we kunnen het zien. We ervaren het. Het is een ervaring die zich in ons voordoet. De hele ervaring van dit moment verschijnt in bewustzijn. Nergens anders. En dat zet alles op zijn kop, want in plaats van dat ik me in het lichaam bevind, is het lichaam een ervaring die plaatsvindt in bewustzijn. Het is dus het leven, of bewustzijn, of hoe je het ook noemen wilt, dat alles ervaart.
Je zou dus kunnen zeggen dat bewustzijn zichzelf ervaart?
Bewustzijn ervaart zichzelf, absoluut. Maar als je nog dieper kijkt, zie je dat er eigenlijk niets gebeurt, dat er helemaal niets is.
Hoe komt het dan dat bewustzijn zichzelf voortdurend over het hoofd ziet?
Dat komt door die aandachtsgewoonte, want die brengt een gevoel van ik en jij voort, en de indruk dat er sprake is van een afzonderlijk bestaan, los van alle andere dingen.
Is dat niet een kwestie van conditionering van het denken?
Dat is secundair. We kunnen ook een gevoel van afgescheidenheid hebben zonder denken. Zolang de aandacht gericht blijft op objecten, zal dat gevoel blijven bestaan. In de eerste zeven jaar van ons leven spelen gedachten nauwelijks een rol, en wat er gedurende die periode in je omgeving gebeurt gaat bepalend worden voor de manier waarop je cellen reageren op het leven. En als de cellen dan verkrampen, wat eigenlijk altijd het geval is, vertaalt zich dat in het gevoel dat de dingen niet oké zijn, dat er iets mis is. En het denken is niets anders dan onze vaardigheid om problemen op te lossen. Dus zodra het gevoel opkomt dat er iets mis is, gaat ons denken ons proberen te helpen. Daar komt het denken dus om de hoek kijken. Tijdens mijn bijeenkomsten doe ik vaak een experiment waarbij ik mensen vraag of ze in staat zijn om dit moment als een kus van het goddelijke, van de geliefde te ervaren. En als mensen dat lukt – sommigen kunnen het niet omdat hun systemen te zeer getraumatiseerd zijn – dan zeggen ze altijd dat het denken stopt en dat alles goed is zoals het is.
Betekent dat dat het denken stopt als het lichaam niet langer verkrampt is?
Het denken stopt dan. Dat wil zeggen: onnodig denken stopt. Je kunt nog wel denken. Als je van A naar B wilt, kun je nog steeds nadenken over hoe je dat gaat doen.
Je kunt nog auto rijden.
Je kunt dan nog auto rijden, je functioneert nog steeds. Het functionele denken werkt nog steeds perfect, maar het obsessieve denken, het denken dat het probleem probeert op te lossen dat je niet op je gemak bent met het huidige moment, komt tot stilstand. Want zodra er sprake is van een diepe ontspanning in het nu, valt dat denkniveau gewoon weg. Dat heeft dan niets meer te doen.
Zou je het kunnen omschrijven als een vorm van ontwaken?
Hier raak je een punt waar veel misverstand over bestaat. Bewustzijn is altijd wakker. Bewustzijn heeft nooit het gevoel dat het niet wakker is. Wat het gevoel heeft niet wakker te zijn is het ik-gevoel dat voortkomt uit de aandachtsgewoonte en de denkactiviteit die plaatsvindt. Die zijn nooit wakker. Het hangt dus af vanuit welk perspectief je kijkt. Bewustzijn ontwaakt nooit, het is altijd wakker. Maar er vindt wel een fundamentele verschuiving plaats als je de dingen gaat zien vanuit het perspectief van bewustzijn, in plaats van vanuit het perspectief van het ik. Maar dan weet je gelijk ook dat je altijd bewustzijn bent geweest en dat er niets ontwaakt is. Ontwaken is dus een beetje een onhandige term, want als het ik-gevoel erover hoort, wil het tot ontwaken komen. Maar dat kan het nooit zelf doen, want het ik-gevoel is een activiteit.
Ontwaken is dus eigenlijk het ophouden van een activiteit.
Nou ja, eigenlijk niet eens het ophouden ervan, maar de herkenning van die activiteit, en het zien dat die activiteit niets met jou te maken heeft. Het is gewoon een activiteit die gericht is op de overleving van het lichaam.
Maar het piekeren houdt wel op. Je maakt je geen zorgen meer.
Ja, maar ook dat kan weer de kop opsteken. Het piekeren, en vergelijkbare activiteiten, kunnen weer terugkomen, maar ze worden gezien en niet langer serieus genomen. Ik ben niet erg goed thuis in de religieuze tradities, maar wat beschouwd wordt als sahaja samadhi, de hoogste natuurlijke staat van zijn, is geen toestand zonder gedachten. Er kunnen dan wel degelijk nog gedachten opkomen.
Dat is ook nodig voor de overleving van het lichaam.
Ja.
Het is dus iets natuurlijks dat gedachten opkomen.
Ja. Dat is helemaal geen probleem.
Maar denk je niet dat mensen in het algemeen in een soort collectieve waanzin leven, omdat ze ervan uitgaan dat ze individuen zijn?
Absoluut. Als we heel rationeel onderzoeken waar ons lichaam begint en eindigt, en we zien dat het lichaam niet zonder zuurstof kan … en dat kun je heel makkelijk onderzoeken; iedereen die daar niet van overtuigd is kan een plastic zak over zijn hoofd trekken en kijken wat er gebeurt, dat is meestal wel afdoende. Het lichaam kan dus niet zonder lucht, dat valt heel makkelijk aan te tonen. En waar begint en eindigt de lucht? Wat heb je nodig om te kunnen ademhalen? Daar heb je de zon voor nodig, het hele ecosysteem, de natuur, de hele planeet, alles. In feite heb je het hele universum nodig om te kunnen ademhalen. Dus waar blijft dan die afgescheidenheid? Maar het probleem is dat het voor de meeste mensen een concrete en voortdurende ervaring is dat ze afzonderlijke individuen zijn, als gevolg van hun aandachtsgewoonte, en dat niemand hen ooit heeft uitgenodigd om hun aandacht ergens anders op te richten. Er is een hele mythe ontstaan rondom verlichting, waardoor mensen proberen tot ontwaken te komen, terwijl juist die pogingen het gevoel dat ze niet ontwaakt zijn in leven houden. Ze zitten dus vast in een vicieuze cirkel die hen in leven houdt als individuen. Ja, in feite is het krankzinnig, de manier waarop de mensheid functioneert. In die zin is het interessant om nog een ander aspect te bekijken, en dat is stress. De manier waarop we omgaan met ons lichaam als er sprake is van stress … hebben we het gevoel dat we tijd hebben om rust te nemen als we rust dienen te nemen, en dat we tijd hebben om fatsoenlijk te eten, of stouwen we gauw maar wat eten weg en drinken we er een kop koffie bij? We gaan heel slecht met ons lichaam om, we gaan slecht met andere mensen om, we gaan slecht met de natuur om.
Als dingen die in de weg staan.
Precies, omdat we in de vecht- of vluchtstand staan. Voor ons is iedereen eigenlijk niet meer dan een middel om iets te bereiken. Mensen staan dat toe, of ze zitten ons in de weg. Zodra ons systeem gestrest raakt – en dat zijn we gewend, want we zijn opgegroeid in een stresscultuur, we hebben geleerd dat we nergens genoeg tijd voor hebben – leven we in de waanzin, zou ik zeggen. Zodra er sprake is van stress zijn we, door de manier waarop ons zenuwstelsel functioneert, niet meer in staat om goed met ons lichaam om te gaan, en met onze buren en familie en collega’s, en met de natuur. We blijven maar rennen. Maar de natuur zit zo niet in elkaar. Als je naar wilde dieren kijkt, dan zie je dat ze alert zijn, maar niet gestresst. Ze hebben een soort collectieve alertheid, ze letten op, en als er gevaar dreigt wordt er adrenaline hun systeem in gepompt en staan ze klaar om te vechten of te vluchten, maar zodra het over is, worden ze vanzelf weer rustig.
Klopt. Maar toen ik die vraag stelde over de collectieve waanzin waarin we leven, had ik het eigenlijk over het gevoel van afgescheidenheid, het gevoel een individu te zijn. Is dat niet de kern van alle waanzin?
Nou, kijk, het één staat rechtstreeks in verband met het ander.
Dat wil zeggen: de illusie van afgescheidenheid creëert stress?
Ik zou zeggen dat stress de illusie van afgescheidenheid creëert. Want de meeste mensen worden ’s morgens wakker, en het eerste wat ze dan denken is ‘Wat moet ik vandaag doen?’, en daarmee begint de stress. En dan is er meteen ook sprake van een ‘ik’ en een ‘doen’, en is het systeem al aan het rennen, ervaart het al druk.
Het staat dus al in de overlevingsstand vanaf het moment dat we wakker worden?
Ja, en dat houdt meestal pas op als we in slaap vallen. En als we steeds maar in die overlevingsstand staan, slapen we ook niet erg diep, want dan blijft het systeem in de vecht- / vluchtstand hangen, ook al heb je een paar whisky's gedronken en naar de tv gekeken. Het komt nooit volledig tot ontspanning, de stress heeft zich als het ware vastgezet in het gevoel dat het leven een last is. Als je kijkt naar de enorme omvang van het universum, van al die sterrenstelsels, en je kijkt dan weer hoe een cel functioneert, dan zie je in feite steeds weer een wonder. Maar in plaats van het wonder van dat alles te zien en in een liefdesrelatie met het leven te leven, zitten we vast in een stressrelatie en ervaren we het leven als een last. Maar als de aandachtsgewoonte tot ontspanning komt, als de stress afneemt, dan begin je plotseling iedereen van buiten af aan te voelen. Je maakt binnen jezelf contact met hun beleving van de werkelijkheid. Want het gebeurt allemaal in jou. Je projecteert de dingen niet langer buiten jezelf, en je begint mensen steeds beter aan te voelen. Je weet wat er in hen gebeurt omdat je weet wat er in jezelf gebeurt. Het is een volkomen andere manier van functioneren, die ontstaat doordat je onder ogen ziet dat er sprake is van onophoudelijke stress, en dat die het gevoel voortbrengt dat we over onszelf hebben. En dan ga je je afvragen of die stress datgene is wat je bent. En ik denk dat het vrij makkelijk te zien is dat het niet meer dan een gewoonte is, dat het niet is wat we zijn. Je stelt jezelf de vraag: is die gewoonte nuttig en bevredigend? Heb je er op welke manier dan ook wat aan? Helpt hij je? Voor de meeste mensen is het redelijk makkelijk in te zien dat dat niet zo is. In dit verband gebeurt er in de bijeenkomsten die ik houd vaak nog iets opmerkelijks. Als ik mensen vraag hoeveel van hen er zulke gewoonten op nahouden, steekt iedereen zijn hand op, en als ik vraag wat het percentage van de tijd is dat die gewoonten een rol spelen, zeggen de meeste mensen 99,999% van de tijd. Het is dus duidelijk dat ze het grootste deel van de tijd een belangrijke rol spelen. Maar dan komt de volgende vraag: als dat allemaal automatisch en onbewust gaat, wie doet het dan eigenlijk? Want het is wel duidelijk dat jullie het niet doen. Het gebeurt gewoon. Het verschilt niet van ademhalen en voedsel verteren en al die andere functies. Het is het leven zelf dat het doet. En dat is een erg belangrijke vaststelling, want dan is identificatie met het lichaam of een verondersteld ‘ik’ ook een automatische, onbewuste activiteit die door niemand gedaan wordt. En vanuit dat ik-gevoel zeg je: ik heb het gedaan. Maar er is helemaal niemand die zich met dat ‘ik’ geïdentificeerd heeft. Het is niet meer dan een automatische, onbewuste gewoonte waarvan niemand zich de eigenaar kan noemen. Het probleem is dus dat als er sprake is van identificatie, er niet begrepen wordt hoe die plaatsvindt. Men heeft nog steeds het idee: ik heb het gedaan. Zolang het ik-gevoel onze ervaring kleurt, zal er sprake zijn van schuld en schaamte, en daarmee komen er weer nieuwe lagen bovenop de al bestaande lagen van illusie te liggen die het zo moeilijk maken om te zien wat er nu eigenlijk gebeurt. Het is dus heel belangrijk dat gezien wordt dat er in feite niemand is die iets doet. Er is alleen maar bewustzijn, er is altijd alleen maar dat.
De kern van de identificatie is dus het ik-gevoel. En als je daar doorheen kijkt, houdt de illusie van identificatie onmiddellijk op.
Precies. Dan zie je dat elke identificatie niet meer dan een automatisch proces is. Bewustzijn identificeert zich nooit ergens mee. Het is altijd vrij, altijd aanwezig. In die context kunnen we de uitnodiging van Ramana Maharshi ook goed begrijpen. Zijn uitnodiging was: wat je ogen ook zien, wie is zich daar van bewust? Het antwoord moet zijn: dat ben ik. Wat hij in feite doet is de aandacht verplaatsen naar bewustzijn zelf. Zolang het leven zich volgens oude gewoonten en langs gebaande paden afspeelt, verzamelen we een hoop denkbeelden en zien we niet helder wat is. Als dat heldere zien er eenmaal is, heb je al die denkbeelden niet meer nodig. Dat valt allemaal weg, je hebt ze niet meer nodig.
Had jij zelf een leraar nodig om tot dat heldere zien te komen?
Ik geloof niet dat een leraar noodzakelijk is. Ik denk wel dat een leraar je enorm kan helpen, maar nodig is het niet. Het is net zoiets als gitaar leren spelen. Je kunt een gitaar pakken en zelf leren hoe je er geluid uit kan krijgen, maar als je niet eens weet hoe je het ding moet stemmen, gaat dat een hele tijd duren. Maar als er iemand tegen je zegt: oké, dit is de manier waarop je de gitaar moet stemmen, dit zijn een paar akkoorden, dan gaat het allemaal een heel stuk sneller. De manier waarop ons zenuwstelsel werkt, maakt helder zien erg moeilijk, en als iemand ontwaakt zonder dat er iemand oplet wat er gebeurt – ik denk aan Byron Katie, en aan Ramana – gaat dat altijd gepaard met verwarring als ze geconfronteerd worden met oude patronen en gewoonten. Maar zo iemand zou ik geen leraar willen noemen. Ik noem het eerder een vriend, iemand die meer gezien heeft dan jij en die je aandacht kan richten op de dingen die voor jou van belang zijn.
Waar richtte jouw leraar je aandacht op? Wat had je nog niet gezien?
Toen ik Papaji ontmoette, zei hij tegen me: “Oké, je bent al heel ver. Maar nu moet je je aandacht gaan richten op bewustzijn zelf.” Toen hij dat zei, had ik zoiets van: ‘O, natuurlijk, da’s toch duidelijk!’ Maar het maakte toch een enorm verschil.
Kon je vanaf dat moment je aandacht elk gewenst moment op bewustzijn richten?
Absoluut. Maar dat kan iedereen. Als we kijken wat aandacht eigenlijk is … aandacht is een bewustzijnsfocus. Het is alleen maar een focus, een richtpunt. En als herkend wordt dat die focus in bewustzijn verschijnt, en dat bewustzijn er altijd is, dan gebeurt er iets, vooral als je bij iemand bent die dat ook weet. Dan vindt er een bepaald soort communicatie plaats, en mensen zien dat, herkennen het. Dat gaat heel snel, dat neemt nauwelijks tijd in beslag. Dus als je iemand ontmoet waarvan het systeem beter afgestemd is op wat is, dan is dat een prachtige kans. Het geeft je zenuwstelsel een kans die het niet krijgt als je alleen maar een boek leest.
Ik heb de indruk dat dat soort dingen vaak gebeurt tijdens je bijeenkomsten: dat mensen dat gevoel van resonantie ervaren.
Ja, dat klopt, vooral als er een groep mensen bij elkaar zit die allemaal met elkaar resoneren. Dat groeit uit tot een uiterst krachtig gevoel. Vaak gebeurt het dan dat er iemand binnen komt lopen die helemaal niets weet over non-dualiteit, en dat die dan letterlijk binnen een paar seconden in de stoel gaat zitten en gaat vertellen wat hij zojuist gevoeld heeft, zonder dat ik lang aan het woord ben geweest. Ze lopen dan letterlijk dat energieveld binnen. En wie kan zich dat soort dingen toe-eigenen als ze gebeuren? Ze gebeuren gewoon vanzelf, en dat is prachtig.
Je bent een keer gaan spreken hierover. Hoe is dat gegaan?
O, dat is een leuk verhaal. Ik had een ervaring van non-dualiteit toen ik negentien was. Dat veranderde de richting die mijn leven nam volledig. Zo wilde ik verder leven. Ik was nergens anders meer in geïnteresseerd, en ik hield me ook met niets anders meer bezig. Op een gegeven moment was ik bezig met ‘bewustzijnswerk’, en dat was heel erg gericht op bewustwording van het feit dat onze aandacht onze ervaring bepaalt. Daarmee reisde ik de wereld rond, en ik had daar veel succes mee. Ik zag dat de manier waarop we als diersoort functioneren niet lang meer vol te houden is, en ik wilde een betere manier van functioneren introduceren die de gang van zaken in de wereld zou kunnen veranderen. Ik was op dat moment niet erg onder de indruk van goeroes, want ik had een hoop mensen naar Sai Baba zien gaan en horen praten over wonderen die ze gezien hadden, en mensen die naar Osho gingen … maar ik zag geen transformatie. Ik zag bij veel mensen die er mee bezig waren dat hun spirituele ego’s nog groter werden dan ze daarvoor al waren, en ik zag ook dat als je iemand op een voetstuk zet en hem hoger maakt dan jezelf, dat je je dan op heel glad ijs begeeft. Ik vond het eigenlijk nergens goed voor. Ik was dus behoorlijk op mijn hoede voor het hele goeroespelletje. Op een dag hoorde een vriend die wel eens een van mijn weekendbijeenkomsten had bijgewoond over Papaji praten, en ik zag dat hij veranderd was, dat er een transformatie had plaatsgevonden. Ik vroeg hem wat er was gebeurd. Hij zei dat het gebeurd was toen hij naar Papaji was gegaan, en dat maakte iets bij me los. Ik ging naar Papaji. Ik kon daar maar drie weken blijven, want daarna moest ik weer naar Nieuw Zeeland voor een paar bijeenkomsten. Toen ik eenmaal in Nieuw Zeeland was, kon ik niet meer doen wat ik daarvoor altijd had gedaan. Er was iets veranderd in mij, en ik zei tegen de mensen daar: sorry, maar ik kan het niet meer. Hun respons was: ‘Nou, we hebben zoveel gehad aan wat je eerder hebt gedaan bij ons. Als je iets nog beters hebt gevonden, willen we dat van je zien.’ Ik zei dat ik daar helemaal niet geschikt voor was, dat het nieuw voor me was en dat het allemaal nog een plaats moest krijgen. Maar ze zeiden: dat maakt ons niets uit. Doe het maar gewoon. Dat was in feite mijn eerste satsang. Maar ik wilde me helemaal niet meer vastleggen. Ik wilde alleen maar naar Lucknow, om bij Papaji te zijn en alles in me op te nemen. Ik wilde ophouden met al mijn activiteiten en de tijd nemen om bij hem te zijn en alles tot in mijn vezels door te laten dringen. Toen ik daar aankwam, riep hij me bij zich, en hij zei: “Je hebt de diamant gevonden. Nu wil ik dat je beschikbaar bent.” En toen begonnen mensen me uit te nodigen. Ik heb daar nooit iets voor gedaan. De uitnodigingen kwamen gewoon binnen, en ik nam ze aan, en op een bepaald moment vroegen een paar mensen aan me: kunnen we een retraite bij je doen? Ik zei: wat is dat? Nou, zeiden ze, we willen graag een weekend met je doorbrengen. En zo is het gekomen. Ik heb het totaal niet gepland, het is gewoon gebeurd.
Toch zegt men dat de waarheid niet uitgesproken kan worden.
Maar ik kan wel de lagen blootleggen die de waarheid verhullen. Dat gebeurt door te zien, door mensen uit te nodigen om te zien, in plaats van ze informatie te geven, en door ze in een gesprek te laten voelen wat ze zelf al weten. Ik stel vragen, bijvoorbeeld wat er gebeurt als je anders gaat kijken en je je ogen gaten laat zijn waar het licht door naar binnen valt – dat soort dingen. Op die manier kunnen mensen ervaren wat er gebeurt met hun gevoel van begrensd zijn en hun zelfgevoel, en hoe stress werkt. En dan gaan ze het zien: wow! Ze zien dat het zo in elkaar zit. Ik spreek uit wat ik ervaren heb, wat ik ken.
Je laat hen ontdekken wat ze eigenlijk al weten.
Absoluut. Ik laat ze zien wat ze altijd al hebben geweten.