VRIENDSCHAP



Vriendschap is een groot goed. Het overstijgt de tekortkomingen van de ander op basis van een fundamentele welwillendheid zonder rationele basis. Die ander kan hardleers zijn, eigenwijs, egocentrisch, te bescheiden of juist te zelfverzekerd. Zelf bezit je ongetwijfeld ook een mengeling van eigenschappen die de ander niet altijd kan waarderen. Maar wat de vriendschap hoe dan ook het meest in de weg zit, en altijd van beide kanten, is ons onvermogen de waarheid onder woorden te brengen. Soms doen we daar vreselijk ons best voor, maar reageert de ander met ‘Hoe voelt dat dan?’, ‘Wat bedoel je nou precies?’, ‘Hoor ik nou goed wat je zegt?’ Soms, in de meeste gevallen eigenlijk, zeggen we maar wat, in de hoop dat volume en toon duidelijk maken wat we bedoelen. Want wat we bedoelen, wat we willen (mede)delen, is niets anders dan juist dat gevoel van vriendschap, liefde en compassie. We gebruiken daar woorden voor omdat elkaar aanraken bijna altijd als te rechtstreeks wordt ervaren, te duidelijk, te onverbloemd. Liever houden we een slag om de arm, mocht de ander de vriendschap op dat moment niet willen beantwoorden. Met woorden kun je tenslotte alle kanten op, desnoods de kant die je oorspronkelijk niet voor ogen had.
Wat vaak over het hoofd wordt gezien, is dat die liefde en compassie niet persoonlijk opgevat moeten worden. Ze zijn juist onpersoonlijk, niet gericht op of afhankelijk van iemand anders. Ze komen spontaan en zonder reden van binnenuit, ook al is dat vaak in aanwezigheid van bepaalde personen. Desgewenst kunnen we er redenen voor verzinnen of voorwaarden aan verbinden, zodat het past in het grotere verhaal van mij en jij en zij. En dat lijkt die verhalen dan toch weer persoonlijk te maken. 
Woorden, verhalen. Ze kleuren het leven, ze geven vorm aan onze behoefte aan contact en  communicatie, maar het probleem is dat ze altijd van belang lijken te zijn – voor het ik. Ieder verhaal is ik-gerelateerd, is een uitbreiding van het kernverhaal, het ik-verhaal. En met ieder woord dat gebruikt wordt, wordt het ik-verhaal verder uitgebreid en dichtgemetseld. Langzaam maar zeker wordt het een onneembaar bolwerk waar we ons in verschansen tegen de gevaren van de wereld, tegen de gevaren uit het niet-ik-verhaal. En die wereld wordt almaar ingewikkelder, omdat het verhaal zich maar blijft uitbreiden en steeds onoverzichtelijker wordt, en tegelijkertijd schraler. Er wordt erg veel over het hoofd gezien, want bijna alles wat geen belang heeft voor het ik-verhaal wordt genegeerd en niet opgeslagen. De persoon wordt geboren, groeit al dan niet uit tot een sterke man of vrouw, wordt dan ouder en vermoeider en gaat uiteindelijk sterven. Het is een wanhopige strijd tegen een noodlottig einde van de persoon en het verhaal. Want waar de één ophoudt, verdwijnt ook de ander. En daar is de persoon als de dood voor. Sterker, het is zijn dood.
Vriendschap verwordt uiteindelijk altijd tot een sociale gewoonte, een afspraak. In ieders verhaal is vriendschap een poging om het gevecht niet alléén aan te hoeven gaan. Je hebt vrienden nodig om te overleven. Maar als het verhaal niet meer van belang is, of als er een onverklaarbare, onredelijke aantrekkingskracht van de ander uitgaat die verder niet in het verhaal past, ontstaat er iets anders. Dan gaat er iets open dat gaat geuren als een bloem. En soms gebeurt het dat die bloem open blijft staan en niet verwelkt. Dat is wat in alle religies De Hemel wordt genoemd.

 

We hebben je toestemming nodig om de vertalingen te laden

Om de inhoud van de website te vertalen gebruiken we een externe dienstverlener, die mogelijk gegevens over je activiteiten verzamelt. Lees het privacybeleid van de dienst en accepteer dit, om de vertalingen te bekijken.