INNERLIJKE STEM
 

Zoekers zijn vaak op zoek naar de zin van het leven, dat wil zeggen, de zin van hun leven. Ze willen zo graag dat hun leven zin heeft, een bedoeling heeft, dat alles wordt aangegrepen om die hoop bevestigd te krijgen. Ze gaan te rade bij wetenschappers en filosofen en spirituele leraren, maar ieder antwoord roept slechts de bange vrees op dat dat het echte antwoord niet kan zijn, zoals ook altijd bij antwoorden op de vraag ‘Wie ben ik?’ het geval is. En als we koning Macbeth horen zeggen dat het leven slechts “een verhaal” is, “verteld door een idioot”, dan blijft de zin van het leven een raadsel en wordt de wereld een kille plek vol onbegrijpelijke duisternis. 
Maar de vraag “wat is de zin van het leven?’ blijft liggen, en de zoektocht gaat voort. Het enige antwoord is dat er geen antwoord is. Het leven heeft geen zin, noch is het zinloos. Het is er gewoon. “Ja, maar wat moet ik er dan mee?”, werd me laatst door iemand gevraagd. Mijn antwoord was: je moet er niets mee, je hoeft er niets mee, maar je kunt er wel wat mee. Je hebt ogen en oren en andere zintuigen waarmee het leven ervaren kan worden. In die zin zou je kunnen zeggen dat het doel van ons leven is om te kijken, te luisteren, aan te raken, te ruiken en te proeven. Dan verschijnen er vogels en bergen, piepende deuren, fluwelen stoffen, bloeiende kamperfoelie en zachtgekookte eitjes. Dan krijgt het leven vorm. De zin van het leven is zin hebben in het leven, is liefhebben zonder iets of iemand in het bijzonder lief te hebben.
Je hebt al zin in het leven vanaf je geboorte, maar de zintuiglijke indrukken worden nog niet als losse gewaarwordingen ervaren. Er is slechts sprake van één grote, langgerekte gewaarwording die niet door iemand, door een ik, ervaren wordt. Je leeft in een wereld “vol geluid en razernij die niets betekent.” Je wordt doof en stom geboren, dat wil zeggen, je begrijpt niets van de klanken die de mensen om je heen voortbrengen, en je bent niet in staat om die zelf uit te brengen. Je bent uitsluitend aangewezen op je instincten zonder in verwarring te hoeven raken door de woorden van anderen. Je kent alleen jezelf, als alles wat er is (inclusief wat je later ‘anderen’ gaat noemen).
Maar in de loop der tijd ga je toch begrijpen dat die woorden betekenis hebben, dat er dingen mee gesuggereerd worden, en plotseling bevind je je in de wereld der dingen, de wereld van het onderscheid en de tegenstellingen. De ene ervaring is uiteengespat in duizend stukjes, en iedere dag komen er meer bij. En tegelijkertijd vergeet je dat je ooit een en al oog was, een en al oor, een en al huid en tong en neus. Dat één stofje de hele wereld bevatte, en dat de hele wereld tot leven kwam als een bloem zich opende. Je vergeet dat alles goed en goddelijk was omdat hun tegendelen nog niet geboren waren; dat je onfeilbaar was en onaantastbaar; dat je tegelijkertijd alles en niets was. Maar je bent gaan horen en spreken, gaan uitleggen en vergelijken, en daarmee deden de illusies hun intrede, talloze dingen die niet gebaseerd waren op de werkelijkheid. Je raakte de weg kwijt, je innerlijke stem, en je ging zoeken. Je begon aan een lange weg, en ooit zal het slechts een omweg blijken naar waar je altijd al was: hier, nu. Want je eerste instincten en intuïties liggen zo diep in je verankerd dat ze onuitwisbaar zijn. Boven al het tumult van de wereld uit kun je nog steeds die innerlijke stem horen, ben je doof en stom, maar versta je alles en kun je zeggen wat je wilt.

Een monnik wilde verlicht worden en kwam bij meester Unmon. ‘Ga rechtop zitten’, zei Unmon. Toen de monnik zat zoals het hoorde, gaf de meester hem een duw met zijn staf, en de monnik deinsde terug. Unmon zei: “Je bent dus niet blind”, en vroeg hem vervolgens om dichterbij te komen. Dat deed de monnik. Unmon zei: “Je bent dus ook niet doof”, en voegde er aan toe: “Snap je dat?” De monnik antwoordde: “Nee.” Toen zei Unmon: “Ah! Je bent dus ook niet stom!” De monnik stond en boog voor de meester, want nu zag hij wie hij werkelijk was.

De vergissing om naar iets anders te zoeken dan wat er nu op dit moment is, is zo hardnekkig dat we blijven denken (of hopen) dat God ergens boven in de hemel zweeft, dat de werkelijkheid een grote brok materie is waar we iets vanaf moeten zien te knabbelen en de waarheid iets waar op schoenen met ijzeren zolen naar gezocht moet worden. Daarom wees de grote zenmeester Dogen ons acht eeuwen geleden op poëtische wijze op het voorbeeld dat we aan watervogels kunnen nemen:

De watervogel
zwemt hierheen en daarheen
en laat geen sporen na,
maar haar pad
vergeet ze nooit.

Elk zoeken is een zoeken naar de bekende weg. Om iets te kunnen inzien of begrijpen, moeten we het al kennen. Alle kennis, alle inzicht, is herinnering. We weten allemaal wat wat is, wat je wel en niet moet doen, maar we doen alsof we het niet weten en stellen vragen over de zin van het leven, het bestaan van God en de onsterfelijkheid van de ziel - terwijl we alleen maar hoeven te zijn wie we zijn. Hoe moeilijk kan dat zijn?

 

We hebben je toestemming nodig om de vertalingen te laden

Om de inhoud van de website te vertalen gebruiken we een externe dienstverlener, die mogelijk gegevens over je activiteiten verzamelt. Lees het privacybeleid van de dienst en accepteer dit, om de vertalingen te bekijken.