HET TWEEDE RAAM
 

Soms lijkt het of het leven om een adempauze vraagt. De innerlijke roep om rust en stilte begint dan de ontelbare redenen waarom we aan dat gevoel geen gehoor zouden kunnen geven te overstemmen, en plotseling zitten we op een plek waar we op adem kunnen komen. Zo brachten mijn vrouw en ik een lente door in een onbeduidend dal tussen twee kleine oude dorpen in het zuiden van Frankrijk. 
De eerste weken waren koud en nat. In een gestage ruis viel de regen op de bomen in de tuin en op de heuvels. Als de zon tevoorschijn kwam vlogen kraaien over ons heen naar de andere kant van het dal en ging het raam van mijn werkkamer open. Dan zag ik eksters in de bomen aan de overkant neerstrijken en roze vlinders langs fladderen. Het raam was mijn oog op de wereld, maar ook dat oog maakte deel uit van diezelfde wereld. Na een maand was de wereld groen geworden en besefte ik op een dag dat mijn innerlijk oog een tweede open raam vormde dat het zien mogelijk maakte, maar niet aanwezig was in het uitzicht. Ik zag dat het aan alles vooraf gaat, en tegelijkertijd alles is – iets wat maar heel weinig mensen zien. De rest ziet slechts een grote, wrede wereld waarin je geworpen bent en heel moet zien te blijven. Voor hen is het leven het grootste deel van de tijd een tranendal of een boze droom.
De dagen gleden ongemerkt voorbij. Het belang van andere dingen dan de meest elementaire levensbehoeften begon onmiskenbaar te vervagen. Een bloeiende roos, een salamandertje in het gras, een kop thee konden een hele dag vullen. Soms lagen we te luisteren naar de geluiden die langs kwamen waaien -  vliegtuigen, vogels, kikkers, spelende kinderen. Met tussenpozen viel de regen als een mistig gordijn over het groen in het dal en kon ik in het geruis de innerlijke stem die ons naar deze plek had gebracht niet meer horen. Maar dan begon na verloop van tijd de zon weer voorzichtig op de natte bomen te schijnen en konden we weer om ons heen kijken. Een enkele keer reed er een auto door het dal die nergens vandaan kwam en nergens heen ging. Dan weer die immense stilte - een verwachtingsvolle stilte, een open stilte die zich door geen enkel geluid liet verjagen.
Zodra de zon zich wat langer liet zien trokken we de heuvels in. We liepen over paden en stroombeddingen vol stenen, door stukken bos waar reeën ons verbaasd vanachter het struikgewas aankeken, langs akkers en weilanden en stille vennen. In de dorpen die we onderweg doorkruisten dronken we koffie.

Op een warme middag bleek het pad dat we wilden lopen niet te vinden. We liepen ons vast in een moerasgebied vol doornenstruiken. Natte voeten, bloed aan onze armen en benen. Eenmaal weer terug waar we begonnen waren, namen we een andere route die om het moeras heen liep. Met ons eigen dal al in zicht werden we onvriendelijk benaderd door twee grote honden die ons tegemoet kwamen lopen. We zagen ons gedwongen rechtsomkeert te maken en de lange omweg naar een dorp boven op de heuvel te nemen. In de doodstille hoofdstraat kwam er opnieuw een hond achter ons aan. Even later begon het ook nog te regenen. We zagen het gebeuren, maar het deerde ons niet. De nodeloze frictie tussen ons en de dingen was verdwenen. Tussen ons en de wereld zat niets meer. We werden zo breed als de wereld - breder nog, want we droegen hem zelf. Toen het ophield met regenen en we over de weg door het dal naar huis liepen sloeg er een warme waas van het asfalt. Links en rechts van ons rook het naar gras en kamperfoelie. Boven onze hoofden heetten de vogels de zon weer welkom, zonder voorbehoud of rancune. Grote witte wolken zeilden als slagschepen door de blauwe lucht. Een vliegtuig kroop als een trage vlieg door het luchtruim. Onze aandacht werd door niets anders meer getrokken dan de aandacht zelf.
Thuis wachtten ons twee ligstoelen en drie flessen koud bier. Toen de eerste fles leeg was hoorden we geritsel achter ons. We zagen een geelbruine kikker door het gras springen, achtervolgd door een lange grijze slang die met verbazingwekkende snelheid achter de kikker aan golfde. Langzaam steeg het bier ons naar het hoofd. Daar werden we vrolijk van. We liepen het veld achter ons huis in en werden weer kleine kinderen. Lachend liepen we door het hoge gras, maakten rare foto’s en zochten onmogelijke paden. We waren weer jong en in voor alles. Het leven zoals we het hadden geleid had ons even niets te zeggen. We voelden ons vrij en diep van binnen herinnerden we ons zonder het uit te spreken dat we dat altijd al waren geweest. Een paar kraaien vlogen anders dan gebruikelijk in oostelijke richting het dal in. Ze leken terug te vliegen naar waar ze vandaan waren gekomen die ochtend. Alles was perfect in balans, maar het was een precaire balans die zomaar kon veranderen in een andere balans, in een weergaloze, eindeloze kringloop. En op het scherpst van die snede hing alles – schoonheid, verdriet, vrijheid, geluk, niet weten wat geluk is – in het luchtledige. We begrepen niet wat het was of waar het vandaan kwam, maar we wisten dat het leefde op dezelfde manier als wij leefden – niet als veel, niet als twee, maar als één. Wat een wonder, en we vroegen ons af hoe dat wonder over het hoofd gezien kon worden. Dat was een extra wonder, het wonder der wonderen.

 

We hebben je toestemming nodig om de vertalingen te laden

Om de inhoud van de website te vertalen gebruiken we een externe dienstverlener, die mogelijk gegevens over je activiteiten verzamelt. Lees het privacybeleid van de dienst en accepteer dit, om de vertalingen te bekijken.