DOOD
 

Vanaf het moment dat ik als kind geconfronteerd werd met het overlijden van mijn grootvader, wilde ik meer over de dood te weten komen. Ik ging op onderzoek uit en gaf mijn ogen goed de kost. Op een dag ging ik kijken toen er bij de buren een varken geslacht werd. Ik zag hoe de buurman met een soort pistool dat op een nietmachine leek het varkenshok binnenliep. Het varken begon te gillen. De buurman pakte het beest bij de oren en klemde de kop tussen zijn benen. Hij zette het slachtpistool midden tussen de ogen en haalde de trekker over. Terwijl het bloed uit de kop van het varken gutste, pakte hij een mes en sneed hij de keel van het beest door. Het bloed werd opgevangen in een teil. Daarna werd het varken aan een ladder gehangen en werden de haren van de huid gebrand met een gasbrander. Vervolgens werd de buik van boven naar onder opengesneden en haalde de buurman de organen er een voor een uit. De buurvrouw sneed het hart en de lever in stukken. “Alles wordt gebruikt”, zei ze. “Alleen de ogen niet”. 
“Waarom heb je daar nou zo lang naar staan kijken?”, vroeg mijn moeder toen ik weer thuis kwam. “Dadelijk lust je je eten niet meer.”
“Ik wil zien hoe het gaat”, zei ik.
 “Wat?”
“Doodgaan. Hoe dat is.”
Maar ik wist het nog steeds niet. Ik had van alles gezien, maar niet de dood. De dingen om me heen waren nog even levend als altijd, ook het varken aan de ladder.
Later las ik dichters die de dood beschreven als de definitieve ontsnapping uit de droom, of beter gezegd, de nachtmerrie van het leven. Anderen hadden het juist over de dood als de poort naar het leven. Seneca wees me erop dat de dood, in tegenstelling tot het leven, niet van de mens afgepakt kan worden, en daarom als het grootste geschenk van God beschouwd moet worden. Horatius schreef: “Beschouw iedere dag als je laatste. Dan zul je met vreugde uren ontvangen waar je niet op gerekend hebt.”
Nog weer later las ik in een oude bundeling zen-teksten, de Hekiganroku, een verhaal over een leerling die op een begrafenis van een vriend tegen de doodkist klopte en aan de meester vroeg: “Is hij levend  of dood?” De meester antwoordde: “Ik zeg niet dat hij leeft, ik zeg niet dat hij dood is.” Daarop vroeg de leerling: “Waarom zeg je me niet hoe het zit?” De meester antwoordde: “Ik ga het niet zeggen! Ik ga het niet zeggen!” Toen de andere leerlingen hoorden wat hun meester op de begrafenis had gezegd, vroegen ze hem om uitleg. “Zelfs de grootsten onder ons”, zei hij tegen hen, “zelfs degenen met kennis van het absolute, raken verstrikt in woorden.” Misschien was dat de reden dat de grote zen dichter Bashô tegen alle verwachtingen en tradities in geen laatste gedicht  meer schreef toen hij op zijn doodsbed lag. Tegen zijn vrienden zei hij vlak voor hij stierf: “Ieder moment van het leven is het laaste moment, ieder gedicht een doodsgedicht. Waarom zou ik er nu nog een schrijven?”
In de zen-literatuur wordt zelden gesproken over de dood (en des te meer over het leven), maar heeft men het wel vaak over ‘de Grote Dood’. Die vindt plaats als niet het lichaam sterft, maar het idee ‘iemand’ (een persoon) te zijn. Vanaf dat moment kan het leven zonder poespas en waanideeën geleefd worden, “zonder schande, zonder spijt, zonder achterom of vooruit te kijken.” Fysieke gevaren en de fysieke dood worden na de Grote Dood niet ontkend. Integendeel, je bent voorbereid op de pijlen die het lot ieder moment op je af kan vuren en dus alom aanwezig zijn, maar je laat je handelen er niet door bepaald worden. “Als je de barrière van leven-dood eenmaal doorbroken hebt”, zei zenmeester Engo, “loop je veilig door het woud der relativiteit.”
Over die laatste uitspraak heb ik lang nagedacht, maar uiteindelijk denk ik dat Engo bedoelt te zeggen dat leven en dood niet van elkaar gescheiden kunnen worden. Ze vormen één proces en zijn in alles aanwezig. De vlam is het branden van het hout, het leven is het sterven van de persoon. Zonder sterven, of dat nu als lichaam is of als persoon, is er geen leven. Zonder branden is er sprake van hitte noch licht; zonder hout geen vuur; zonder vuur geen hout. Daarom is het dwaas om blij te zijn dat je geboren bent, en even dwaas om bang te zijn voor de dood die je te wachten staat. Leven en dood zijn niets anders dan de ogenschijnlijke polen van de onbegrensde vrijheid die je bent.
Achteraf kan ik zeggen dat ik dat als kind al geweten heb zonder het onder woorden te kunnen brengen. Toen ik op een dag onderweg van school naar huis was, zag ik een groepje kinderen gehurkt en voorovergebogen in een kringetje zitten. Ik stopte om te kijken wat er te zien viel. Op de grond tussen de kinderen lag een dode vogel. Een van de kinderen keek me aan en zei: “Hij is dood”, maar ik geloofde haar niet. ‘Een dier kan dood’, dacht ik. ‘Een mens kan ook dood. En toch bestaat hij niet, de dood.’ Ik wist niet veel, maar dat wist ik zeker. 
Nu ik de laatste tijd de dood een paar maal in de ogen heb gekeken, of in ieder geval om de hoek heb zien staan, denk ik wel eens terug aan die tijd. Veel wijzer ben ik sindsdien niet geworden, maar meer hoef ik in feite ook niet te weten. Wat een kind niet kan begrijpen, is niet waar; en als het wel waar is, is het niet de moeite van het weten waard. Als iemand me nu vraagt wat er na de dood gebeurt, zal ik zeggen dat ik die vraag niet kan beantwoorden, zoals God geen leugen kan vertellen.

 

 

We hebben je toestemming nodig om de vertalingen te laden

Om de inhoud van de website te vertalen gebruiken we een externe dienstverlener, die mogelijk gegevens over je activiteiten verzamelt. Lees het privacybeleid van de dienst en accepteer dit, om de vertalingen te bekijken.