DE WEG VOLGEN
De wereld is de afgelopen decennia erg veranderd. Niet alleen is hij steeds complexer geworden, maar zijn complexiteit heeft gelijke tred gehouden met de toename van onze rijkdom - althans, hier in onze Westerse wereld. We hebben steeds meer geld tot onze beschikking gekregen en worden steeds meer in beslag genomen door de keuzes die we hebben om dat geld uit te geven. Keuzestress is een begrip dat in mijn jeugd nog volkomen onbekend was. Je zou misschien zelfs kunnen zeggen dat we ten onder dreigen te gaan aan een gebrek aan armoede.
In The Lord of Burleigh schetst de Engelse dichter Tennyson het leven van een vrouw die trouwt met een arme schilder. In werkelijkheid is de schilder een rijk man, maar hij doet alsof hij arm is om met het arme dorpsmeisje van zijn dromen te kunnen trouwen. Eenmaal getrouwd gaan ze in een groot landhuis wonen en hebben ze bedienden en alles wat hun hartje begeert. De vrouw past zich aan aan haar nieuwe omstandigheden, maar in de loop der jaren kwijnt ze langzaam weg en sterft ze, in de ogen van Tennyson, aan een gebrek aan armoede, aan de overdaad die alle leven uit haar trekt.
Zo bezien is rijkdom de brede, comfortabele weg naar zelfvernietiging. De zenmeesters van weleer bewandelden liever de omgekeerde weg. Chômei vertelt ons bijvoorbeeld dat hij een huis met één kamer voor zichzelf bouwde toen hij zestig was. Het huis was tien keer zo klein als zijn vroegere woning, waar hij meer dan dertig jaar in had gewoond. Zijn nieuwe onderkomen boven op de berg Hino mat slechts drie bij drie meter en bevatte niet meer dan een klein huistempeltje, een plank met boeken tegen de muur, twee snaarinstrumenten, een schrijftafeltje, een vuurkorf en een raam. Hij sliep op een bundeltje stro in de hoek van de kamer. Toch voelde Chômei zich verre van arm, want “buiten groeit de purperen bloesem van de blauweregen in de lente, en groeien de bladeren aan de bomen in de zomer; in de herfst hoor ik de stem van de cicade; in de winter zie ik hoe de sneeuw zich ophoopt voor mijn deur. Op zo’n plek hoef ik me aan geen gebod te houden, want de verleiding ontbreekt om welk gebod dan ook te schenden. Sinds ik de wereld heb verlaten, ben ik niet jaloers op mensen die rijkdom vergaren, noch ben ik bang om iets te verliezen. Mijn leven ligt in Gods handen; het kent verlangen noch afkeer. Ik ben als een wolk die door de lucht zweeft. Ik vraag nergens om en ik wijs niets af.”
Hoe weinig een mens in feite nodig heeft, hoe leefbaar een leven in armoede kan zijn, zien we prachtig verwoord in een klassiek Japans zen geschrift, de Tsure-zure Gusa: “Een kluizenaar genaamd Kyo-yu bezat helemaal niets: zelfs water dronk hij uit zijn hand. Toen iemand dat zag, gaf die persoon hem een schaal gemaakt van de kalebas van een pompoen. Op een dag hing Kyo-yu de schaal aan de tak van een boom, maar de wind schudde hem op en neer zodat hij veel herrie maakte. Daarop haalde hij de schaal uit de boom en gooide hem weg, en dronk hij net als tevoren water uit zijn hand.”
Leven in armoede betekent leven in vrijheid – een vrijheid die soms zelfs jaloersmakend kan zijn, zoals voor de dichter Kikaku:
De bedelaar!
Hij draagt hemel en aarde
als zijn zomertenue.
Een andere dichter, Ryokan, leefde, net als Chômei, zelf een leven van armoede. Het inspireerde hem tot het schrijven van talloze gedichten, waaronder dit:
Hoe heerlijk is het
om te luisteren
naar de kikkers in de velden,
languit gelegen
in mijn simpele hut
en ook dit:
Ik ging op weg
om voedsel te bedelen;
maar ik bracht mijn tijd door
met het plukken van viooltjes
in de lentevelden.
Ryokan bezat niets en betekende niets voor de samenleving. In die zin was hij, zoals hij zelf aangaf, waardeloos, maar hij had één ding dat bijna niemand heeft: ware zelfkennis. En omdat Ryokan niets bezat, hoefde hij ook nergens aan te voldoen en kon hij een leven zonder zorgen leiden zoals ook kinderen en dwazen dat kunnen. Op een dag speelde hij verstoppertje met een paar kinderen. Eén van de kinderen was aan de beurt om de anderen te gaan zoeken. Samen met Ryokan rende de rest alle kanten op om zich te verstoppen. Ryokan rende naar een wc-hok, en terwijl hij op een bos takken ging zitten bedekte hij zijn hoofd met de lange mouwen van zijn priestergewaad. Na verloop van tijd hielden de kinderen op met spelen zonder Ryokan gevonden te hebben. De volgende morgen vond een van hen hem terug op de plek waar hij zich de dag daarvoor verstopt had. “Wat doe je hier in godsnaam, Ryokan?”, vroeg hij. “Ssst!”, antwoordde Ryokan, “praat niet zo hard, anders vinden ze me!” Op zijn doodsbed had hij hetzelfde kunnen zeggen als de Amerikaanse schrijver Henry David Thoreau, vele eeuwen later, toen hem gevraagd werd of hij vrede had gesloten met God: “Ik heb nooit ruzie met hem gemaakt.”
Ryokan was niet alleen een toonbeeld van materiële armoede, maar ook van geestelijke, in de betekenis die Meester Eckhart er aan geeft: “Zolang ge nog de wil koestert om de wil van God te vervullen en nog iets begeert, zolang zijt ge niet werkelijk arm van geest!” Armoede van geest betekent niet oordelen, de dingen met open armen tegemoet treden en niet bezig zijn met wat het je zal opleveren of wat een ander van je zal denken. Dat is allemaal ballast die je leven onnodig compliceert. Kennis is in die zin evenzeer ballast. ‘Hij die studeert’, luidt een gezegde in de zen literatuur, ‘wint iedere dag iets; hij die de Weg volgt, verliest iedere dag iets.’
Het is een wijsheid die me overeind houdt nu de complexiteit van de wereld me vaak boven het hoofd groeit en het me nauwelijks nog lukt om nieuwe dingen te leren. En op de momenten dat ook die wijsheid geen soelaas meer biedt, ga ik lekker liggen en laat ik de boel de boel. Want ook dat is een manier om de Weg te volgen.