interview Yoga Magazine

INLEIDING

Als geen ander was Ramana Maharshi (1879-1950) een levend voorbeeld van totale onthechting en egoloosheid. Hoewel hij nauwelijks sprak, was hij een van de belangrijkste Advaita-leraren van de twintigste eeuw, en is zijn leer en opmerkelijke levensverhaal nog altijd een bron van inspiratie.
 
De Zuid-Indiase familie Aiyar was een gezin als alle andere in het dorp Tiruchuli. Vader Sundaram had een bloeiende praktijk als plattelandsadvocaat, een vrouw en vier kinderen. Maar één ding was er opmerkelijk aan de Aiyar-stamboom: in elke generatie was er steeds een familielid die zijn familie de rug toekeerde en koos voor een leven in ascese. Ooit zou er bij de familie zo’n asceet hebben aangeklopt voor voedsel of een aalmoes, maar toen dit geweigerd werd, sprak de vrome bedelaar de vloek uit dat elke generatie een zwervende asceet zou voortbrengen. En zo geschiedde.
Niets wees erop dat Venkataraman, zoals Ramana’s naam als kind luidde, de volgende zou worden. In zijn jonge jaren had hij weinig belangstelling voor religieuze zaken, hij was speels en niet bovenmatig geïnteresseerd in school. Op een dag echter, hij was 16 jaar oud, werd hij vanuit het niets bevangen door een diepe, indringende doodsangst. Overmand door het gevoel dat hij ging sterven, ervoer hij tegelijk dat zijn levenskracht, zijn Zelf, de dood oversteeg.
De diep doorvoelde gebeurtenis had een radicale uitwerking op de jongen: zijn identificatie met het lichaam en het ego verdween als sneeuw voor de zon. Door zijn dood rechtstreeks onder ogen te komen, realiseerde hij zich dat zijn ‘Ik’, zijn werkelijke  Zelf, onsterfelijk was en niet verbonden met het lichaam. ‘De angst voor de dood was voor eens en voor altijd verdwenen,’ zei hij daar later over. ‘Dit opgaan in het Zelf is vanaf die tijd nooit meer onderbroken geweest.’
Korte tijd later vertrok hij naar Tirunvannamalai, waar hij zijn intrek nam in een tempel. Verzonken in eindeloze meditatie zei hij geen woord meer en besteedde hij geen aandacht meer aan zijn lichamelijke verzorging; hij at niet en waste zich evenmin. Dit bleef natuurlijk niet onopgemerkt, en anderen begonnen zich om hem te bekommeren en gaven hem voedsel en water, hetgeen Ramana slechts beperkt tot zich nam.
Enige tijd later vestigde Ramana zich op zijn geliefde berg Arunachala, die hij beschouwde als een symbool voor het Zelf. Als vanzelf verzamelde zich een groep volgelingen om hem heen en ontstond er een ashram, iets waar Ramana zelf helemaal niet op zat te wachten, maar zich ook niet tegen verzette.
In 1912 had hij een tweede bijna-doodervaring, dit keer ook een fysieke: tijdens een wandeling met een paar volgelingen werd hij overvallen door duizeligheid en zeeg hij neer tegen een rots. Kalm en helder zag Ramana toe hoe de ademhaling en bloedsomloop stopten, zijn huid grauw kleurde en zijn ledematen koud werden. Terwijl zijn volgelingen begonnen te jammeren om zijn dood, merkte hijzelf dat hij ook zonder hartslag nog steeds volledig aanwezig en bewust was; helder en kalm. Na een minuut of tien ging er een enorme schok door het lichaam die alles weer op gang bracht. Ramana stond op en liep verder alsof er niets gebeurd was.
Deze tweede ervaring bracht hem in de toestand van sahaja samadhi, een ononderbroken en onverstoorbaar opgaan in het Zelf, terwijl het normale lichamelijke en geestelijke leven gewoon doorgaat. Vanaf dat moment nam hij steeds meer deel aan het alledaagse, aardse leven, en al zou hij nooit veel spreken, hij gaf nu ook vaker antwoord of uitleg als hem dat werd gevraagd. Voor velen waren zijn aanwezigheid en stilte echter al ruim voldoende. Wie in de buurt van ‘de Meester’ verkeerde, voelde de vragen vanbinnen vanzelf oplossen, zonder dat hij een woord had gezegd. Ook dieren zochten graag zijn gezelschap, en leken met hem te kunnen communiceren in woordeloze taal.


HET INTERVIEW

Van alle grote spirituele leraren is het levensverhaal van Ramana Maharshi misschien wel het meest opmerkelijke. Anders dan bijvoorbeeld Sri Nisargadatta Maharaj, een van de andere grote spirituele leermeesters van zijn tijd, heeft Ramana alle inzicht zelf verworven, vertelt Han van den Boogaard, auteur van Ramana’s biografie Sprekende stilte. ‘Hij had geen leraar, had geen filosofische boeken gelezen. Pas toen andere mensen hem boeken gaven over Advaita-Vedanta, ontdekte Ramana dat wat hij had ervaren sterk overeenkwam met wat hij in die boeken las.’
Ramana was ook geen leraar in de gebruikelijke zin van het woord. Hij wilde het liefst met rust gelaten worden, maar aanvaardde deemoedig de taak die hij klaarblijkelijk had in dit leven, zij het op zijn eigen wijze. Hij gaf geen onderricht aan toehoorders, zoals gangbaar was; Ramana onderwees vooral door zelf een voorbeeld te zijn. ‘Zijn leven en leer vielen naadloos samen,’ zegt Han. ‘In zijn manier van leven zag je precies terug wat hij bedoelde. Zijn kracht lag in de eenvoud. Ramana heeft nooit veel gesproken, maar wát hij zei, was zo scherp en duidelijk dat ook mensen zonder filosofische achtergrond het konden begrijpen.’
 Vooral zijn uitstraling, zijn authentieke aanwezigheid, maakte diepte indruk op anderen. Een volgeling verwoordde dat als volgt: ‘In Bhagavan vonden we een wezen dat in zo’n sterke mate geladen was met de Werkelijkheid, dat iedereen die in zijn nabijheid kwam een dramatische verandering in zichzelf voelde plaatsvinden.’
Het paradoxale daarvan is nu juist dat volgens Van den Boogaard mensen zich soms blindstaren op zijn persoonlijke uitstraling of zijn bijzondere levensverhaal – hem zelfs de ‘grootste verlichte’ noemen – terwijl Ramana voortdurend benadrukte dat hij in niets verschilde van anderen. We hebben allemaal wel een andere fysieke manifestatie als persoon, maar dat moeten we niet verwarren met het universele Zelf. Om zulke dingen te verduidelijken gebruikte Ramana metaforen, zoals die van de ossenkar:
 
‘U kwam vanmorgen hierheen in een ossenkar. Toch zegt u niet: “De kar kwam hierheen.” U zegt: “Ik kwam hierheen.” U maakte niet de fout uzelf te identificeren met de kar. Kijk naar uw lichaam op dezelfde manier als u naar de ossenkar kijkt. Behandel het goed, en het zal een prima dienaar en hulpmiddel zijn, maar word niet misleid door het voor het “Ik” te houden.’
 
‘Wat Ramana probeerde aan te duiden,’ aldus Han, ‘is dat je tegelijk alles en niets bent. Dat is een paradox, maar waarheid laat zich het beste uitdrukken in paradoxen. Als je weet te doorgronden wat daarmee bedoeld wordt, weet je waar dit over gaat. Dan leef je eigenlijk op twee niveaus. Op het aardse niveau van de manifestatie wilde Ramana niets anders zijn dan gewoon mens, met alle ongerijmdheden en tegenstrijdigheden van dien. Tegelijk was hij zich er altijd van bewust dat er maar één iets is, dat ene Zelf, en dat geldt voor iedereen. In alles wat hij deed, liet hij die levende paradox zien.’
Ramana vergeleek het weleens met een ventilator aan het plafond. ‘Als de identificatie met het lichaam uit elkaar valt, is dat hetzelfde als wanneer de stekker van een ventilator uit het stopcontact wordt getrokken – het ding draait nog een tijdje door, maar is allang uitgezet. Het lichaam functioneert nog wel, maar dat heeft slechts ogenschijnlijke realiteit. Mensen denken vaak dat ze iets moeten doen om net zo te worden als de leraar. De leraren zeggen juist: nee, je bent al hetzelfde als ik, want er is maar één Zelf. Er valt helemaal geen raadsel op te lossen. Er is geen verschil tussen de leraar en jou; weliswaar wel in de zogenaamde persoon – het ene lichaam is nu eenmaal anders dan het andere, en heeft zeg maar een andere bedrading –, maar de persoon bestaat slechts als verschijnsel.’
Zodra je erachter bent gekomen dat er niets is dat je toebehoort, zo legde Ramana uit, ken je geen zorgen of angsten meer. En er is geen werkelijk verschil meer tussen ‘ik’ en ‘de ander’. Het loslaten van het ego en het lichaamsgebonden ‘ik’-gevoel leidt tot een vrije, onthechte manier van zijn:
 
Het is mogelijk alle handelingen in het leven op een onthechte manier uit te voeren en alleen het Zelf als werkelijk te beschouwen. Het is onjuist om te veronderstellen dat als je gevestigd bent in het Zelf, er niet op de juiste manier aan je levensverplichtingen zal worden voldaan. Het is als met een acteur. Hij verkleedt zich en handelt en voelt zich zelfs als degene die hij speelt, maar hij weet dat hij in werkelijkheid niet die figuur is, maar iemand anders. Waarom zou, analoog hieraan, het lichaamsbewustzijn of het gevoel “ik-ben-het-lichaam” je in de weg zitten als je eenmaal zeker weet dat je niet het lichaam bent maar het Zelf?
 
Ramana toonde mededogen, gevoel voor humor en zachtaardige gelijkmoedigheid. Han: ‘Het een is niet beter of mooier dan het ander – dat ga je dan inzien. Het is het denken dat verschil aanbrengt tussen dingen, dat ergens een negatief of positief verhaal van maakt. Dat denken is er nog wel, maar je neem het gewoon niet meer zo serieus allemaal. Het leven wordt dan veel luchtiger; als je hebt begrepen waar het om gaat, moet je er eigenlijk vooral om lachen. Ramana Maharshi kon heel goed de humor van dingen inzien. Hij was de relativering ten top.’
In plaats van zijn inzicht uit te leggen of in woorden over te dragen, verspreidde Ramana zijn inzicht via stilte en gewoon ‘zijn’. Het besef van gelijkwaardigheid leefde hij heel letterlijk voor: hij verzette zich sterk tegen het voetstuk waarop zijn volgelingen hem wilden tillen en duldde geen voorkeursbehandeling, hoe goed bedoeld ook. De man bij wie hij eens op bezoek kwam en die een stoel voor hem ging halen, zag de Meester nooit meer terug. Han: ‘Hij zocht nooit de confrontatie, maar kon soms wel radicaal afstand nemen van iets. Als er bijvoorbeeld nieuwe mensen in de ashram waren, was hij vaak heel belangstellend en stelde hij hen allerlei vragen. Maar zodra die mensen dachten: hee, ik ben kennelijk nogal speciaal voor hem, want tegen anderen zegt hij helemaal niets, dan sprak hij maandenlang of soms zelfs nooit meer tegen ze. Hij wilde zich plooien naar alle gewoontes en culturele tradities, maar liet geen gelegenheid onbenut om iets te laten zien. Niet op basis van een redenering trouwens, zulke dingen  gebeurden volkomen spontaan.’
Zo was het ook met eten en drinken. Ramana was vaak in de keuken te vinden en hielp graag bij de zorgvuldige bereiding van de maaltijden. Maar het eten zelf kon hem eigenlijk totaal niet schelen; voor hem was alle voedsel evenveel waard. Als hem werd gevraagd waarom hij na die zorgvuldige bereiding het voedsel op zijn bord allemaal door elkaar husselde, grapte hij: ‘Er is genoeg veelsoortigheid. Laten we eens wat Eenheid tot ons nemen.’
O wee als hij merkte dat iemand hem probeerde te bevoordelen – dat kon hij niet verdragen. Ramana stond erop als laatste te eten van iedereen, en wilde ook beslist niet meer voedsel op zijn bord dan de anderen, vertelt zijn biograaf. ‘Toen hij eens koffie kreeg terwijl anderen dat niet kregen, dronk hij vanaf dat moment geen koffie meer. Het lichaam vind koffie lekker, maar voor hemzelf deed het er niet toe. Op die manier liet hij zien dat hij niet vastzat aan alles wat met het lichaam te maken had.’
De vele paranormale verschijnselen die zich voordeden, kende hij evenmin speciale waarde toe – ze gebeurden gewoon. Er zijn vele getuigenissen bewaard gebleven over opmerkelijke voorvallen, zoals het verhaal van een rijke man uit Kashmir, die met zijn bediende de ashram van Ramana bezocht. De volgende dag sprak de man Ramana aan: ‘Vannacht kwam mijn bediende bij u en stelde u verscheidene vragen in het Kashmiri. Hij zegt dat u hem antwoord gaf in zijn eigen taal en hem van zijn twijfels verlost hebt.’ ‘Maar ik heb mijn mond niet opengedaan,’ reageerde Ramana.
Of neem de bijzondere geschiedenis van de koe Lakshmi, die elke dag van haar boerderij naar de ashram kuierde om naast Ramana’s divan te gaan liggen. Toen ze permanent in de ashram mocht blijven wonen, schonk ze drie achtereenvolgende jaren Ramana op zijn verjaardag een kalf.
Het zijn slechts een paar van de vele voorbeelden die Han schetst in Sprekende Stilte. ‘Ramana was er volkomen onverschillig onder. Deze gebeurtenissen maakten alleen maar duidelijk dat binnen de manifestatie alles mogelijk is. Dat iets paranormaal zou zijn, is ook alleen maar een afspraak. Hoe meer je je gedachten gelooft, hoe meer je beperkt raakt in je waarneming en dingen meemaakt of ervaart die past binnen het kader waar jij je aan houdt. Als je je aan geen enkele beperking gebonden weet, kan alles. En dan gebeurt dat ook.’
Niet alleen tijdens zijn leven, vooral ook tijdens zijn sterven bracht Ramana zijn onthechting tot uitdrukking. Toen er zich op een gegeven moment een gezwel op zijn arm openbaarde, wilde hij eigenlijk niet dat er ingegrepen werd. ‘Als mijn lichaam niet gezond is, wat maakt mij dat uit? Laat het zijn eigen problemen oplossen. Ik bemoei me er niet mee. Ik ben vrij.’
De mensen die hem omringden, dachten daar echter anders over. Gedwee, maar met grote tegenzin, onderging Ramana diverse behandelingen. Toen bleek dat dit tevergeefs was, bood Ramana de doktoren zelfs zijn verontschuldigingen voor alle moeite die ze zich hadden getroost. Hij had pijn, maar nam volkomen rustig en met een zekere verwondering waar wat zich voltrok in zijn lichaam. ‘Kijk eens hoe mooi het eruitziet!’ zei hij over de tumor op zijn arm. ‘Het lijkt net een kostbare edelsteen. Het is een sieraad voor mijn arm geworden.’
De kanker liet zich niet temmen, en na een aantal maanden werd duidelijk dat Ramana’s einde begon te naderen. Onbewogen liet hij het op zich afkomen. Ook pijnstilling wees hij resoluut van de hand: ‘Het is niet nodig; alles komt goed binnen twee dagen.’
Hij stierf vredig, zonder enige vorm van strijd of verzet. Dat was ook niet nodig: als geen ander wist Ramana Maharshi immers dat zijn lichaam wel zou sterven, maar dat het Zelf onvergankelijk is.