interview Han met Rupert Spira

De intimiteit en de onschuld van de ervaring
 
 
 
Rupert Spira werd in 1960 geboren in Londen. In de loop van zijn jeugd ontwikkelde hij een speciale belangstelling voor kunst. Op zijn vijftiende bezocht hij een overzichtstentoonstelling van de keramiek van Michael Cardew. Hij werd getroffen door de simpelheid en directheid van diens kunst, zozeer dat hij op zijn twintigste bij hem in de leer ging. Vier jaar later ging hij werken als onafhankelijk keramisch kunstenaar. In de loop der jaren veranderde zijn stijl van functioneel naar minimalistisch. Hij is vooral bekend om zijn potten en schalen met ingegraveerde gedichten van hemzelf en de dichteres Kathleen Raine.
Tegelijk met zijn passie voor de keramiek ontwikkelde Rupert een sterke belangstelling voor de mystiek. Hij las teksten van mystici als Shankarashariya, Rumi, Meister Eckhart, Ouspensky, Krishnamurti, Atmananda, Ramana Maharshi, Nisargadatta Maharaj, Wei Wu Wei, Jean Klein en Robert Adams. Uiteindelijk gingen die teksten zijn werk als kunstenaar beïnvloeden. Hij begon zich af te vragen waarom het ene object als zoveel mooier door hem werd ervaren dan het andere. Hij was er altijd vanuit gegaan dat schoonheid in het object zat, maar daar ging hij vraagtekens bij zetten. Hij besefte iets wat zijn leven zou veranderen: wilde hij erachter komen wat schoonheid is, wilde hij zelf schoonheid creëren, dan moest hij te weten zien te komen wat objecten zijn, en wat hun relatie is met de waarneming ervan. Zijn onderzoek leidde tot het fundamentele inzicht dat objecten alleen worden waargenomen als er sprake is van Bewustzijn, en dat Bewustzijn in feite het enige onveranderlijke element in elke ervaring is; alle andere dingen – waarnemingen, gewaarwordingen en gedachten – kunnen ieder ogenblik veranderen en verdwijnen, en doen dat ook. Als een vorm verdwijnt in het gat tussen de ene waarneming, gewaarwording of gedachte en de andere, wordt Bewustzijn zich bewust van zichzelf, al is het maar één ogenblik, om vervolgens weer ‘gevuld’ te worden met nieuwe verschijnselen.
In de ogen van Rupert bezitten objecten het vermogen om de bewustzijnsruimte waaruit ze tevoorschijn komen zichtbaar te maken, op dezelfde manier als een goedgemaakt kledingstuk het lichaam zichtbaar maakt, in plaats van het te verbergen. Het is de taak van de wetenschapper om een model van de werkelijkheid te creëren dat zo waarheidsgetrouw mogelijk is, maar het is de taak van de kunstenaar om manieren te zoeken om die werkelijkheid rechtstreeks ervaarbaar te maken, om de smaak der eeuwigheid over te brengen.
Inzichten als deze veranderden Rupert als kunstenaar en mens, maar konden de laatste restjes geloof in zijn bestaan als persoon niet wegnemen. Hij zocht iemand die hem kon helpen de laatste stap te zetten. Die vond hij uiteindelijk in zijn vriend en leraar Francis Lucille, een advaitaleraar in de traditie van Atmananda Krishna Menon en Jean Klein. Francis wees hem de weg naar een helder en stabiel gewaarzijn van de ware aard van de ervaring. Hij introduceerde hem tot het directe pad, dat geen ontwikkelingsweg is, maar een helder en rechtstreeks zien dat Bewustzijn getuige is van elke ervaring, maar tegelijkertijd ook de inhoud van elke ervaring vormt; dat Bewustzijn de enige Werkelijkheid is en lichaam, geest en wereld hun ogenschijnlijke realiteit verschaft. De eerste echte glimp van deze waarheid is wat Rupert verlichting of ontwaken noemt. Zelfrealisatie is dan vervolgens de definitieve versmelting van lichaam, geest en wereld in de Kennende Aanwezigheid waar ze uit zijn voortgekomen, maar in werkelijkheid nooit van gescheiden zijn geweest.
 
Ik ontmoet Rupert in het huis van vrienden in Eindhoven. Hij heeft net zijn eerste weekend met bijeenkomsten in Nederland achter de rug. Tijdens de bijeenkomst waar ik bij aanwezig was, had ik hem al even ontmoet: een hartelijke, kalme man die een grote vastberadenheid, maar ook een zekere kwetsbaarheid uitstraalde. Op zijn stoel voor een groep van veertig mensen, in het licht dat schuin door de ramen van de ruimte viel, werd die kwetsbaarheid ook voelbaar. Soms zocht hij naar woorden. Het leek alsof hij nog niet helemaal op zijn gemak was met zijn bestemming als spiritueel leraar, ook al had zijn eigen leraar hem daar uitdrukkelijk toe uitgenodigd. Maar zijn woorden vertoonden geen spoor van twijfel.
De dag erna hebben we ons gesprek. Rupert aarzelt ook nu weer op sommige momenten, maar ik merk dat die aarzelingen ingegeven worden door een sterke behoefte om tot een zo precies mogelijke formulering te komen. Hij lacht als ik mijn verouderde opnameapparaat tussen ons in op tafel zet. Zelf neemt hij het gesprek ook op. Ontspannen bedient hij de knoppen van een veel moderner apparaat waarvan ik het bestaan niet eens ken. Het maakt niet uit. Als het om het Onveranderlijke gaat, lijken we elkaar heel makkelijk te begrijpen. Op een of andere manier komen zijn woorden heel dichtbij. Ze weerspiegelen wat ik denk, wat ik voel, wat ik weet. Als hij vertrokken is, op weg naar zijn vliegtuig terug naar huis, weet ik het zeker: dat prachtige boek van hem, The transparency of Things, moet vertaald worden. Desnoods doe ik het zelf.
 
 
 
 
Rupert, is het mogelijk om Bewustzijn te definiëren of te omschrijven? Wat is Bewustzijn?
 
Het is niet mogelijk om het te definiëren of zelfs maar te omschrijven. Maar dat betekent niet dat we het niet kunnen oproepen of er niet naar kunnen verwijzen. Bewustzijn heeft geen objectieve eigenschappen, en toch is het onmiskenbaar aanwezig. Er is iets wat de situatie van dit moment kent of ervaart. Deze woorden worden bijvoorbeeld gehoord, lichamelijke gewaarwordingen worden ervaren, en gedachten worden gekend, door ‘iets’. Dit ‘iets’ wat ervaart en kent, wordt Bewustzijn of Gewaarzijn genoemd, omdat het zowel aanwezig als bewust is. Het is zich bewust van gedachten, maar bestaat zelf niet uit gedachten, want als een gedachte voorbijgaat, blijft het bestaan, en is het zich bewust van de volgende ervaring: de aanblik van deze kamer, het geluid van de auto die langsrijdt, of wat dan ook. Zo is het zich ook bewust van lichamelijke gewaarwordingen en waarnemingen van de wereld, maar bestaat het daar niet uit.
Bewustzijn of Gewaarzijn bestaat dus niet uit het denken, het lichaam of de wereld. Toch twijfelen we er niet dat ‘ik ben’, en dat dat ‘ik’ zich ook bewust of gewaar is. Maar als we naar die aanwezigheid, die we onmiskenbaar zijn, willen kijken, dan weten we niet eens welke kant we op moeten kijken. Dat verwart ons. We weten dat we er zijn, maar we kunnen die aanwezigheid nergens vinden als object. De zekerheid waarmee we de vraag ‘Ben ik me bewust?’ beantwoorden met ‘Ja’, komt voort uit onze onmiddellijke ervaring. Wat is het dan dat die aanwezigheid van Bewustzijn kent? Dat kan alleen maar iets zijn wat zelf aanwezig en bewust is. Alleen Bewustzijn kan dus Bewustzijn kennen. Het kennen van ons eigen bestaan is daarom de ervaring van Bewustzijn dat zichzelf kent. Het is de meest eenvoudige, voor de hand liggende en intieme ervaring die mogelijk is. Iedereen heeft die ervaring, en toch wordt hij ogenschijnlijk over het hoofd gezien. Maar je kunt er niet eens aan twijfelen.
 
Want om er aan te kunnen twijfelen, moet er al Bewustzijn zijn.
 
Precies. Alleen al om de vraag te kunnen horen, moet er Bewustzijn zijn. Dat wordt gekend en opgemerkt vóór alle andere dingen. Iedereen weet: ik ben en ik ben bewust. Het kan zijn dat we ons er niet van bewust zijn dat we het kennen, maar dat is wel zo.
 
Mensen zijn geneigd te denken dat Bewustzijn zich bewust moet zijn van iets. Maar Bewustzijn is iets op zichzelf staands. Je hoeft je niet bewust te zijn van iets.
 
Nee. De aard van Bewustzijn is om zich bewust te zijn, om zowel aanwezig als gewaar te zijn.
 
Met of zonder inhoud.
 
Bewustzijn hoeft niets speciaals te doen om zich van zichzelf bewust te zijn. Gewoon door zichzelf te zijn is het zich bewust van zichzelf. Maar dat zich bewust zijn van zichzelf heeft geen objectieve kenmerken waar je naar kunt verwijzen. Het is zich dus niet bewust van zichzelf als iets. Je zou kunnen zeggen: het is het Bewustzijn van zichzelf.
 
Ja, dat maakt het zo lastig te definiëren, want gewoonlijk geloven mensen dat Bewustzijn iets is wat buiten hen bestaat. Maar Bewustzijn bestaat niet los van hen. Het is wat ze zijn.
 
Ja, en het is dat wat alle ervaringen kenbaar en ervaarbaar maakt. Het doordrenkt dus als het ware elke ervaring. Nu wordt deze kamer bijvoorbeeld gekend of ervaren. Hij wordt ‘verlicht’ of gekend door iets. Maar hij wordt niet gekend door iets wat zich ergens anders bevindt dan de kamer. Dat wat deze kamer, deze visuele waarneming kent, valt volkomen samen met het zien van de kamer.
 
Je zou dus ook kunnen zeggen dat deze kamer zichzelf ervaart.
 
Ja, absoluut. Dat is een juiste en bruikbare uitdrukking van de stand van zaken.
 
Je houdt het persoonlijke ‘ik’ gewoon buiten het plaatje.
 
Ja. We zouden kunnen zeggen dat de ervaring van dit moment niets anders is dan het zien van de kamer. Verder is er niets.
 
Niemand ziet hem, dus moet hij zichzelf zien.
 
Er is alleen het zien ervan. Maar dat zien is volkomen doordrenkt van Bewustzijn. Je kunt die twee niet los van elkaar zien. Dus of je de ervaring van dit moment nu benoemt als ‘de kamer die zichzelf ziet’ of als ‘Bewustzijn dat zichzelf kent’, dat komt op hetzelfde neer. Want in geen van beide gevallen is er sprake van een afzonderlijke entiteit die zich bewust is van een wereld buiten hemzelf.
 
Waarom ziet Bewustzijn zijn eigen aanwezigheid dan voortdurend over het hoofd?
 
De waarom-vraag is een verraderlijke, want met die vraag – ‘waarom ziet Bewustzijn zichzelf over het hoofd?’ – veronderstellen we op de eerste plaats al dat dat het geval is! We nemen al aan dat het zichzelf over het hoofd ziet. Vervolgens vragen we: waarom doet het dat? Maar Bewustzijn ziet zichzelf nooit werkelijk over het hoofd. Bewustzijn houdt nooit echt op met het kennen van zichzelf. Het ziet nooit iets anders dan zichzelf. Alleen het denken beeldt zich in dat er los van Bewustzijn dingen bestaan. Met die waarom-vraag creëren we dus de dualiteit waar we vervolgens een oorzaak voor proberen te vinden. Het antwoord op de vraag ‘Waarom is er onwetendheid, waarom ziet Bewustzijn zichzelf over het hoofd?’ is dus: ‘Vanwege die vraag’. Onwetendheid wordt in het leven geroepen door te vragen naar de oorzaak ervan.
 
Als Bewustzijn alleen zichzelf ervaart, is de wereld dan zijn spiegelbeeld?
 
Nee! Dat is hetzelfde als zeggen dat de wereld geschapen is zodat Bewustzijn zich zou kunnen herkennen in zijn eigen spiegelbeeld. Dat is de arrogantie van het denken, dat zegt: Bewustzijn heeft een lichaam of geest nodig om zichzelf te kunnen kennen, of: Bewustzijn moet weerspiegeld worden in de wereld om gezien te kunnen worden. Maar Bewustzijn kent zichzelf nooit door middel van het denken. Het hoeft niet weerspiegeld te worden. Het kent zichzelf vanuit zichzelf, door zichzelf, in zichzelf, als zichzelf. Het heeft helemaal geen hulp nodig – noch van het denken, noch van het lichaam of de wereld – om zichzelf te kunnen kennen.
 
Maar hoe zit het dan met de diepe slaap? In de diepe slaap wordt er helemaal niets gekend.
 
Als we aan de diepe slaap denken, doen we dat vanuit het perspectief van de waaktoestand. We zien de diepe slaap dus als een tijdsperiode van bijvoorbeeld vier uur zonder enige objectieve inhoud. We denken dat de diepe slaap leeg en doorzichtig is en dat er dan niets te kennen valt, maar dat hij wel bestaat in de tijd. Maar dat is het idee over diepe slaap dat we in de waaktoestand hebben en waarover we in termen van de waaktoestand nadenken. Het is geen beschrijving van de diepe slaap vanuit de diepe slaap, wat natuurlijk ook onmogelijk is. En die kijk op de diepe slaap vanuit de waaktoestand bestaat dus uit begrippen waarmee het denken in de waaktoestand werkt. Met andere woorden, we brengen het begrip tijd erin, en denken dat de waaktoestand de tijdsdimensie bevat, dus voortduurt, en dat dat daarom ook voor de diepe slaap geldt. Maar zonder denken bestaat er geen tijd. Tijd is nooit een ervaring. Het is niet meer dan een concept.
Diepe slaap duurt dus geen vier uur. Ze is tijdloos. Het is een tijdloze ervaring. In feite heeft zelfs de waaktoestand geen duurzaam bestaan binnen de tijd. Het is altijd Nu. Het denken verdeelt de ongedeeldheid van de ervaring in tweeën: een afzonderlijk, innerlijk zelf dat zich beweegt in een wereld buiten zichzelf. Vanuit dat idee lijkt de tijd zijn intrede te doen. Tijd is alles waarvan het denken zegt dat het ‘niet-Nu’ is. Maar alles is alleen maar Nu, zowel in de waaktoestand als in de diepe slaap! De diepe slaap kent geen bestaan in de tijd. De diepe slaap is hetzelfde Nu als dit Nu. Er is maar één Nu, en dat is eeuwig. We kunnen niet eens zeggen dat het één is. Dan zou je er een eigenschap of naam aan verbinden. Je kunt beter zeggen dat het ‘niet-twee’ is.
We moeten ons eerst inbeelden dat we een afzonderlijk, innerlijk zelf zijn vóór we kunnen denken dat we van de waaktoestand naar de droomtoestand reizen, en van de droomtoestand naar de diepe slaap en weer terug. Dat beeldt het denken zich alleen maar in. Bewustzijn valt nooit in slaap. Het gaat nooit ergens heen. Het bevindt zich nooit in enige toestand. Het is net een televisiescherm. Het is altijd hetzelfde, en bevindt zich op een plaats die geen plaats is. Alle ogenschijnlijke toestanden van waken, dromen en slapen spelen zich er in af. Bewustzijn bevindt zich niet in een toestand. In feite kent Bewustzijn geen binnen- of buitenkant. Bewustzijn is dimensieloos en kan onmogelijk gekend worden, ondanks het feit dat het denken uit Bewustzijn bestaat. Bewustzijn houdt daarom nooit op zijn eigen wakkere, altijd-aanwezige, lichtende zelf te zijn en te kennen. Alle vergeten en herinneren, alle schijnbare waken, dromen en slapen maken deel uit van het denken, niet van Bewustzijn.
 
Maar als het geen inhoud heeft, wat valt er dan te kennen?
 
Je vraag gaat er vanuit dat Bewustzijn iets anders dan zichzelf kent als er sprake is van inhoud. Dat ‘iets’ wordt een object, ander of wereld genoemd. Maar er is nooit zelfs ook maar iets aanwezig dat het kent. Er is alleen kennen of ervaren, en dat is Bewustzijn. Het kent nooit objecten. Om een ogenschijnlijk object te kunnen kennen, moet het denken het ongedeelde, pure ervaren in tweeën delen: een subject – het afzonderlijke, innerlijke zelf - en zijn tegenpool – een object, ander of wereld buiten zichzelf. Als het duidelijk wordt dat het subject - het afzonderlijke, innerlijke zelf - niet bestaat, wordt het tegelijkertijd duidelijk dat er ook geen object, ander of wereld bestaat, want subject en object zijn slechts twee kanten van dezelfde medaille. Er bestaat maar één ding, puur ervaren, en dat bestaat uit Bewustzijn. Er bestaat alleen maar Bewustzijn dat zichzelf kent. De naam die je aan dat kennen geeft is ‘zelf’, ‘object’, ‘ander’ of ‘wereld’. We zouden ook kunnen zeggen: er is alleen maar ervaren, kennen of zien. Dan maken we geen concept van Bewustzijn, noch van de wereld. Er is alleen de pure intimiteit van het ervaren, waarin geen afzonderlijke onderdelen, objecten, entiteiten, zelven of een wereld te onderscheiden zijn. Bewustzijn doordringt alle ervaren, kennen en zien. Ervaren, kennen en zien zijn gewoon andere namen voor Bewustzijn. Ervaren bestaat maar uit één substantie. Er wordt niets door iets anders weerspiegeld. Er is alleen maar Bewustzijn dat zichzelf eeuwig in het Nu kent, is en, vanwege die absolute intimiteit, ook liefheeft.
 
Het probleem is dat als we het woord ‘zien’ of ‘horen’ gebruiken, dat dat twee dingen veronderstelt: iemand die ziet en iets wat gezien wordt.
 
Precies. We gaan uit van het idee van ‘iemand die ziet’ hier (wijst naar zijn hoofd), en ‘iets wat gezien wordt’ daar (wijst naar de muur), maar beide entiteiten – ‘ik’ en ‘de muur’ – zijn afgeleiden van de Eenheid van puur zien. Maar als we gaan kijken waar dat zien dan uit bestaat, vinden we alleen maar Bewustzijn. Dat wil zeggen: het ‘vindt’ zichzelf. Er is niets anders, zelfs niet in iets wat heel stevig is (klopt op de muur achter hem). Het denken zegt dat dit iets heel stevigs is dat bestaat uit iets anders dan Bewustzijn dat ‘materie’ genoemd wordt. Maar als we hem benaderen vanuit de directe ervaring ontdekken we dat we niet méér over die muur weten als we hem aanraken dan wat we nu waarnemen. Als je je ogen dichtdoet, en je verwijdert alle etiketten die het denken gewoontegewijs op deze ervaring plakt en je gaat gewoon af op wat je voelt, zit er dan een etiket op dat aangeeft ‘Ik ben hard, ik ben stevig, ik ben zestig jaar oud’? Nee, de gevoelsgewaarwording verschijnt gewoon. En die is hoogstens twee sekonden oud, nee, niet eens dat! Hij bevindt zich altijd in het tijdloze Nu. Die gewaarwording heeft niets stevigs. Alles wat die gewaarwording bevat is het kennen, ervaren of voelen ervan. En is voelen op zichzelf stevig, hard, onbeweeglijk? Nee! Het is doorzichtig, levend, gewichtloos, intiem, vers. Het straalt uit zichzelf en bestaat uit niets anders dan ‘kennen’ of Gewaarzijn.
 
Maar als je kijkt op hetzelfde moment dat je voelt, verplaats je het voelen naar het zien.
 
Ja. Het denken lijmt al die elementen – wat gevoeld, gezien, herinnerd wordt – aan elkaar en construeert daar dat stevige, fraaie, zestig jaar oude huis mee. Maar zo’n huis is een abstractie en geen ervaring. Het enige wat er daadwerkelijk is, is een ervaren, voelen of zien dat doortrokken is van Bewustzijn. Bewustzijn is alles wat er is. ‘Hardheid’, ‘afstand’, ‘leeftijd’, ‘stevigheid’, ‘anders zijn’ zijn allemaal etiketten die het denken op de pure intimiteit en onschuld van de ervaring geplakt heeft.
 
Je een wereld voorstellen op basis van al die gewaarwordingen is een uiterst vermoeiende bezigheid die altijd maar doorgaat.
 
Klopt. De afzonderlijke entiteit en datgene wat daar aan vastzit, de buitenwereld, moeten voortdurend in stand gehouden worden door de verbeeldingskracht. We zijn zo gewend geraakt aan die activiteit dat we niet eens meer in de gaten hebben dat we het doen. Het is onze uitgangspositie geworden, die activiteit van het in stand houden van het gevoel van afgescheidenheid.
 
Als dat het grootste deel van de dag niet meer zou gebeuren, zouden we een hoop energie overhouden.
 
Het geluk en de vrede die eigen zijn aan onze ware natuur blijven dan niet langer verborgen, liggen dan niet meer binnenin ons te popelen om naar buiten te mogen. Ze komen tot uitdrukking in onze activiteiten, die er gewoon van overlopen. En de liefde, die ook eigen is aan onze ware natuur, schreeuwt niet langer om gevonden te worden, om gevoeld te worden. Geluk en vrede en liefde drukken zichzelf dan uit in onze relaties en vriendschappen. We merken dat onze vriendschappen teder en liefdevol worden. We merken dat de wereld niet langer ervaren wordt als een potentiële bedreiging. De wereld wordt vriendelijker …
 
… en onschuldiger.
 
En onschuldiger, en mooier. Er wordt gezien dat vrede, geluk en vreugde manifestaties van het ongedifferentieerde Bewustzijn zijn. Ze laten zich voelen in al onze ervaringen, in de wereld, onze activiteiten en onze relaties.
 
De wereld gaat er anders uitzien.
 
Zoals de dichter William Blake al zei: “Zoals iemand is, zo ziet hij”. Dat is echt zo. De wereld verschijnt aan ons in overeenstemming met de manier waarop we denken.
 
En als er geen sprake is van denken?
 
Als er geen interpretatie aan de ervaring wordt toegevoegd, bestaat die uit puur zien, horen … dan is die fris, onschuldig. Dan laat hij geen sporen na, hoe subtiel ook, dan is er geen weerstand tegen, en wordt hij niet gekoppeld aan een beeld van de toekomst. Dan is er alleen maar een natuurlijk welbevinden, een natuurlijke vreugde …
 
… die in een ander herkend kan worden?
 
Ja. Als we iemand tegenkomen wiens inzicht helder is, krijgen we over het algemeen het gevoel dat hij authentiek is. Zo iemand houdt niets op, die heeft niets te bewijzen of te verdedigen, en die oordeelt niet. Zo iemand maakt het niet uit dat hij niet volmaakt is. We hoeven bij zo iemand nergens aan te voldoen. We hoeven niet te doen alsof. Op een of andere manier voelen we aan dat op een onuitgesproken manier, op een onbewust niveau, de boodschap wordt overgedragen dat alles helemaal goed is zoals het is en dat we niet hoeven te veranderen, dat je jezelf kunt zijn. De verwelkomende, uitnodigende, liefdevolle aanwezigheid van zo iemand stelt ons in staat om in zijn gezelschap te ontspannen, en wordt herkend als dezelfde aanwezigheid die we ook in onszelf ervaren. Die open, liefdevolle, oordeelloze aanwezigheid van Bewustzijn is ook altijd aanwezig in onszelf. Die kan dus weerspiegeld worden in die ander, maar wat we dan voelen is in feite onze eigen diepste aanwezigheid. En dan proberen we niet langer iemand anders te zijn. We ontspannen. Met andere woorden, langzaam maar zeker accepteren we de dingen zoals ze zijn. We komen tot rust in het moment, in elk moment.
 
Je hebt geschreven dat de identiteit van Bewustzijn zich kenbaar maakt als geluk en liefde. Kun je daar wat meer over zeggen?
 
Als je iemand vraagt waar hij werkelijk naar verlangt, is het antwoord meestal: geluk, vrede of liefde. Als we een verlangen koesteren om geluk te vinden, lijkt dat geluk dus niet aanwezig te zijn. We gaan dan af op een object waarvan we denken dat het dat geluk gaat voortbrengen. Die zoektocht naar geluk is een beweging van het denken. Het is een zoektocht waarin dat wat is wordt afgewezen, ten gunste van iets waarvan gedacht wordt dat het ons in de toekomst geluk zal schenken. In feite is het afzonderlijke, innerlijke zelf geen entiteit, maar meer de activiteit van het afwijzen van dat wat is en het zoeken naar dat wat niet is. Als het gezochte object in bezit genomen is, komt het zoeken per definitie tot stilstand. Op dat moment lost het dualistische denken dat het ervaren verdeelt in een ‘ik’ hier en een ‘object’ daar op en laat het geluk zich zien en voelen dat in feite altijd aanwezig is, maar ogenschijnlijk wordt versluierd door het zoekende denken. Op dat tijdloze moment proeven we ons ware Zelf. Het proeft Zichzelf.                                                                                    Maar vervolgens komt het denken weer tevoorschijn en meent het dat het object dat geluk voortgebracht heeft. En dan gaat het op een volgend object af waarvan het gelooft dat het diezelfde ervaring weer teweeg zal brengen. Het denken interpreteert de gelukservaring dus volkomen verkeerd. De ervaring zelf was het oplossen van het zoeken en de weerstand, en maakte het zo mogelijk dat onze ware natuur eventjes helder voelbaar werd. Maar in feite is hij niet eventjes voelbaar. Hij is altijd voelbaar. Hij is tijdloos, want als het denken oplost, lost de tijd op. Geluk is altijd een tijdloze ervaring. Maar als het denken weer tevoorschijn komt, plaatst het het geluk natuurlijk binnen zijn eigen begrippenkader van tijd en ruimte.
Met de liefde is het precies hetzelfde. Iedereen die ooit verliefd is geweest, weet dat in die ervaring alles bezwijkt wat ons ogenschijnlijk uit elkaar houdt, scheidt en op afstand houdt. Het is eigenlijk het instorten van het ‘anders-zijn’. Het is een gevoel van totale intimiteit. Het is het onbreken van alle grenzen en begrenzingen die ons van elkaar lijken te scheiden. Het afzonderlijke zelf is opgebouwd uit die denkbeeldige begrenzingen. Liefde is dus het oplossen of sterven van het afzonderlijke zelf. Op dat tijdloze moment sterft het afzonderlijke zelf. Dat is waar iedereen naar verlangt: sterven aan het afzonderlijke, innerlijke zelf. Zelfs mensen die nog nooit over deze dingen nagedacht hebben, zeggen op zo’n liefdesmoment ‘ ik voel me één met je’, ‘ik ben in je verdwenen’. En ze hebben gelijk!
 
Het is dus een soort herkenning.
 
Ja. Nogmaals: op dat moment herkent of proeft ons ware Zelf Zichzelf. We proeven dat er maar één substantie bestaat – pure intimiteit – en dat alles niets anders is dan dat.
De afzonderlijke entiteit is eigenlijk niets anders dan de activiteit van het zoeken naar geluk. Dus als iemand zegt: ik heb het gevoel dat ik een afzonderlijk individu ben, maar ik weet dat je absoluut nergens heen kunt en dat er niets de doen valt, dan is dat pseudo-advaita. Dat is gewoon niet waar. Wat er dan gebeurt, is dat er een dunne vernislaag van advaita, van geloven dat er niets te doen valt, over een veel diepere overtuiging gesmeerd wordt die zegt: jawel, er valt wel degelijk iets te doen. Ik wil gelukkig worden. En dan kun je jezelf wel een tijdje wijsmaken dat je niet meer op zoek bent, dat de zoektocht ten einde is, maar na verloop van tijd begint het zoeken, dat eigen is aan de afzonderlijke entiteit, gewoon weer opnieuw, en richt het onze aandacht weer op objecten, of relaties of wat dan ook, op zoek naar geluk.
 
Terwijl er tegelijkertijd gezegd wordt: ik zoek helemaal niet meer.
 
Tegelijkertijd wordt geprobeerd, op basis van een of andere drogredenering, de manier van handelen en voelen in overeenstemming te laten zijn met die advaita-overtuiging. Dan wordt het advaita-gedachtengoed gemanipuleerd en zeggen we: ‘Het is prima zo, ik weet dat mijn lijden net zozeer een uitdrukking van Bewustzijn is als alle andere dingen’, etcetera. Dat is niet waar. Als lijden de weerstand is tegen dat wat is …
 
Als er sprake is van lijden, dan moet er weerstand zijn.
 
Ja. Dus als we zeggen: ‘Ik accepteer mijn lijden volledig’, dan dringt de vraag zich op: oké, als je je lijden, wat hetzelfde is als weerstand hebben, accepteert, waarom accepteer je dan niet datgene waartegen je weerstand hebt? Want op dat moment houdt je lijden op. Dus wat ze eigenlijk zeggen is: ik heb hier weerstand tegen, maar ik accepteer mijn weerstand. Dat is pseudo-advaita. Dat is geen acceptatie, dat is weerstand waar een dun laagje acceptatie overheen ligt.
 
Er wordt ook gezegd: mijn weerstand is iets wat ik niet veroorzaakt heb. Die verschijnt, net als alle andere dingen.
 
Ja, dat is waar. Dus uiteindelijk is het inderdaad zo dat absoluut alles, inclusief onze weerstand en ons lijden, ongevraagd verschijnen, zonder oorzaak. Er is geen afzonderlijke entiteit verantwoordelijk voor, of we dat nu beseffen of niet. Dat is absoluut waar. Maar als we onszelf zien als afzonderlijke entiteit, kunnen we niet volhouden dat dat ons inzicht is. Want als het wel ingezien zou worden, zouden we op dat moment ophouden een afzonderlijke entiteit te zijn, en zou onze weerstand verdwenen zijn. Dan zien we voor het eerst heel helder dat wat we zijn geen plaatsgebonden, begrensde entiteit is. Dat gebeurt (klapt in zijn kanden) op een tijdloos moment van helder zien. Maar het gebeurt niet vaak dat zo’n ervaringsbesef vanaf dat moment voor altijd glashelder aanwezig blijft. Wat er meestal gebeurt is dat gewoonten op het gebied van denken en voelen, en daarmee ook van handelen, namens de afzonderlijke entiteit harnekkig zijn en weer de kop op steken en het besef van onze ware natuur lijken te verduisteren. Maar toch is er iets veranderd op het moment dat ze weer de kop opsteken, ook al lijkt de afzonderlijke entiteit te zijn teruggekeerd. Want hij komt niet meer met dezelfde kracht terug. Er wordt geen 100 % ( maar misschien nog wel 99 %) geloof meer gehecht aan het bestaan van een tastbare, onveranderlijke, afzonderlijke entiteit. De geloofwaardigheid ervan is ondermijnd, en in de meeste gevallen is het slechts een kwestie van tijd voor een volgend ‘ja’ wordt geuit.Want dan hebben we inmiddels, op niet objectieve wijze, ervaren dat we niet die afzonderlijke entiteit zijn. Die ervaring valt niet meer weg te denken. We merken dus dat we opnieuw handelen en voelen en met anderen omgaan namens die afzonderlijke entiteit, maar we beginnen ons ook af te vragen wie die afzonderlijke entiteit waar ons leven om draait nu eigenlijk is. We gaan steeds vaker zoeken naar dat ding dat ons leven beheerst, de roze olifant onder onze stoel, en dan blijkt die er gewoon niet te zijn. Die momenten van ‘ja, het is duidelijk, er is helemaal geen afzonderlijke entiteit’ stapelen zich langzaam maar zeker op en worden steeds bepalender. Het wordt steeds duidelijker, en de afzonderlijke entiteit wordt steeds zwakker. Zo kan het gaan, en zo gaat het meestal ook, denk ik. Slechts af en toe wordt het helder gezien en verdwijnt de afzonderlijke entiteit in één keer voorgoed.
 
Dat zijn de spectaculaire verhalen.
 
Ja, en meestal ook de verhalen die we te horen krijgen, want het zijn mooie verhalen. Dan kun je het nog eens ergens over hebben. Maar als het heel rustig gebeurt, bijna zonder dat je het zelf in de gaten hebt – en het kan gebeuren zonder dat het denken het herkent – valt er niet zoveel over te zeggen. We merken alleen maar dat we vrede voelen en tevreden zijn. We voelen geen weerstand meer, en onze relaties krijgen een soort lichtheid. Pas later gaat het denken zich er weer mee bemoeien en de ervaring herinterpreteren, vergelijken met hoe de dingen daarvóór waren.
 
Vond in jouw geval het vinden van je ware natuur in één keer plaats, of ging het geleidelijk?
 
Van jongs af aan had ik een diepe intuïtie dat de dingen volkomen anders zijn dan ze lijken. Toen ik ongeveer vijftien was, begon ik Shankaracharya te lezen en las ik een boek met gedichten van Rumi. Ik dacht: dat is gek, ik weet niet wat het betekent, maar het is zo mooi. Waar gaat dit over? Waar hebben zij het over? Het werd niet door het denken herkend, maar mijn hart zei ‘Ja! Dit klopt, dit is wat ik zoek!’ Toen dacht ik: waar kan ik hier nog meer over te weten komen? Die gedachte kwam gewoon op, ik heb daar niet voor gekozen. Ik had net zo goed kunnen denken: ‘O, dat is mooi’, het boek dicht kunnen slaan en over kunnen gaan tot de orde van de dag. Maar er is niemand, geen entiteit, die daar controle over heeft. En toen kwam van het een het ander. Ik las Nisargadatta, en uiteindelijk mondde het uit in de ontmoeting met mijn leraar, Francis Lucille. Ook daar heb ik helemaal niet voor gekozen. Ik ging naar Amerika om Robert Adams op te zoeken, een Amerkaanse leraar, en toen bleek dat die net twee dagen voor mijn aankomst was overleden. Net voordat ik weer terug naar huis ging, gaf iemand me een stukje papier, een foto van Francis met één vraag en één antwoord. Ik las het en dacht: ‘O, dat is interessant’. Ik stopte het briefje in mijn zak en dacht er verder niet meer aan. Kort daarna kwamen er een paar vrienden bij mij logeren, en een van hen noemde zijn naam, en de gedachte kwam op: ‘Die man wil ik wel eens ontmoeten’. Twee maanden later stond ik met Francis te praten in zijn keuken. Toen kwamen er heel snel momenten waarin de werkelijkheid helder gezien werd. Ik zal een voorbeeld geven. Ik zat in satsang met Francis in Californië, kort nadat ik hem ontmoet had, en ik hoorde een hond in de verte blaffen terwijl hij het had over de illusie van afgescheidenheid en afstand. Ik zei tegen hem: “Is het niet duidelijk dat dat geluid aan de andere kant van het dal plaatsvindt, dat die hond zich verderop bevindt en niet hier?’ Hij antwoordde: ‘Leg je handen eens op het tapijt.’ Ik plaatste mijn handen voor me op het tapijt, en toen zei hij: ‘Waar bevindt die gewaarding zich nu?’ En op dat moment wist ik: ‘Ja, die vindt plaats in mij! Wat ik ook mag zijn, wat dat ‘ik’ ook moge zijn, die gewaarwording vindt binnenin plaats.’ Toen hoefde ik nog maar één stap te zetten. Als die gewaarwording die we ‘tapijt’ noemen binnenin plaatsvindt, waar vindt dan de gewaarwording die we ‘hond’ noemen plaats? En toen (klapt in zijn handen): ‘Ah, ja!’ Toen moest ik lachen. Ik deed mijn ogen open en ik lachte. Het was zo ontzettend duidelijk dat geluiden in mijzelf plaatsvinden, wat dat ‘zelf’ dan ook moge zijn. Het denken gelooft dat ‘ik’ me hier in mijn hoofd bevindt en dat de hond zich daar ergens in de buitenwereld bevindt, maar de feitelijke ervaring is dat geluid net als alle andere dingen in mijzelf plaatsvindt. En als alles in mijzelf verschijnt, waar zou het dan nog meer uit kunnen bestaan dan uit mijzelf? Er zit niets in mij behalve mezelf waaruit ik zou kunnen bestaan!
Dat was een moment van volkomen helder zien. In de beginjaren, toen ik mediteerde en Ramana Maharshi en Nisargadatta bestudeerde, voelde ik intuïtief aan dat het waar was wat ze zeiden, maar het was niet mijn eigen ervaring geweest. Maar toen, op dat tijdloze moment, was er het gevoel: ‘Ja, het is waar!’
 
Francis liet het je zelf ontdekken.
 
Het enige wat hij vroeg was: waar vindt die gewaarwording plaats? En zelfs als Boeddha zelf was verschenen en me had gezegd dat de dingen buiten mezelf plaatsvinden, zou ik nog gezegd hebben: dat kan best, maar voor mij is het binnenin. Zo zeker was ik daarvan. Dus toen alle oude gewoonten van denken en voelen namens de afzonderlijke entiteit weer terugkwamen, hoefde ik alleen maar terug te gaan naar mijn ervaring en van daaruit weer opnieuw te beginnen.
Ik had de sleutel gevonden, en met die sleutel onderzocht ik al mijn ervaringen, en op den duur bleken alle ervaringen binnenin plaats te vinden en alleen uit mijzelf te bestaan, niet mij’zelf’ als lichaam of geest, maar mijn Zelf, die lichtende aanwezigheid van Bewustzijn. En eigenlijk ook niet binnenin, want Bewustzijn heeft geen binnen- en buitenkant. Alles bleek die tijdloze, plaatsloze aanwezigheid van Bewustzijn te zijn die ik zo goed ken als mijzelf.
Maar het kostte ogenschijnlijk nogal wat tijd heel mijn ervaringswereld aan dit inzicht aangepast te krijgen. Het was me duidelijk geworden dat het Bewustzijn dat ik ben zich nergens bevindt en dat het niet geboren is en ook nooit zal sterven. Maar ik voelde me nog steeds begrensd in plaats en tijd. Die tegenstrijdigheid – denken dat ik niet aan plaats gebonden Bewustzijn ben, en toch het gevoel hebben op een stoel te zitten – was onverdraaglijk. Dat was een ervaringsstuk dat nog niet in mijn inzicht geïntegreerd was. Dat betekende niet dat mijn inzicht onoprecht of onecht was. Ik wist vanuit mijn eigen ervaring dat het waar was, maar niet elk aspect van mijn voelen en waarnemen had zich automatisch en onmiddellijk aan dat inzicht aangepast. Uit interesse, uit liefde, uit nieuwsgierigheid onderzocht ik mijn gewaarwordingen en waarnemingen - dat wil zeggen, van het lichaam en de wereld - steeds diepgaander, tot ook die op den duur oplosten in dat inzicht.
 
Maar daar kun je niet voor kiezen. Dat moet spontaan gebeuren, net als alle andere dingen.
 
Ik heb nergens voor gekozen. Keuzes worden gemaakt, maar er is niemand die kiest. Alles verschijnt, net als het weer – zonder dat je er voor kiest!