interview Han met Jeff Foster

ALLES IS AL VOLLEDIG ONTWAAKT 
 
 
Jeff Foster groeide op in Manchester, Engeland. Hij had liefhebbende ouders en, aanvankelijk, een vrijwel onbezorgde jeugd. Maar in de loop der jaren ontwikkelde zich een kern van innerlijke onzekerheid en zelfhaat die bleef groeien. Hij voelde zich eenzaam en was niet goed in staat om contact te maken. Het gevoel een onbeduidende persoon te zijn in een onoverzichtelijke, vijandige wereld nam extreme vormen aan. Zijn uitzonderlijke intelligentie bood in dit opzicht geen enkel voordeel, maar maakte het wel mogelijk om astrofysica te gaan studeren aan de Universiteit van Cambridge – een studie die veel ruimte liet om contacten te mijden. Toen hij net was afgestudeerd leidde zijn depressie tot een crisis van totale wanhoop. De zwaarte van het bestaan, de last van iemand moeten zijn die hij niet wilde zijn, werd ondraaglijk. Hij werd ernstig ziek en dacht dat hij ging sterven. Het was een keerpunt in zijn leven. De nabijheid van de dood maakte hem voor het eerst bewust van de eenvoud en de kostbaarheid van het leven. Voor het eerst ook las hij de bijbel. Dat riep eindelijk een gevoel van herkenning bij hem op, een lichtpuntje in een eindeloze duisternis.
Om te herstellen ging Jeff weer bij zijn ouders wonen. Een jaar lang sloot hij zich op in zijn kamer en deed hij niets anders dan boeken lezen over religie, meditatie, zelfonderzoek en andere spirituele onderwerpen. Hij probeerde alles om de verlichting te bereiken waar hij zo vaak over las. Wat hem ontging was dat hij zich daarmee een nieuwe identiteit aanmeette die hem opnieuw gevangen hield: die van spititueel zoeker. Het zoeken nam extreme vormen aan, maar hij besefte dat er geen weg terug was, wilde hij niet opnieuw in totale wanhoop vervallen. Hij bleef gevangen zitten in de vicieuze cirkel van het ik dat zichzelf uit de weg probeert te ruimen, tot het zoeken zichzelf uiteindelijk uitputte. Er kwamen momenten van helderheid waarin het gevoel van afgescheidenheid oploste. In Beyond awakening – The end of the spiritual search, beschrijft hij zo’n moment: “Op een koude herfstavond liep ik in Oxford door de regen. Het werd donker; ik had mezelf warm ingepakt in mijn nieuwe jas. En plotseling, zonder enige waarschuwing vooraf, viel de zoektocht naar meer dan dat weg, en daarmee alle afgescheidenheid en eenzaamheid. Ik was alles wat zich voordeed: ik was de donker wordende hemel, ik was de man van middelbare leeftijd die zijn golden retriever uitliet, ik was het oude vrouwtje dat in haar laarsjes door de plassen liep.”
De spirituele zoektocht van Jeff stortte in met de herkenning van de nonduale aard van het bestaan en de ontdekking van het ongewone in het gewone. In dit heldere zien werd het leven wat het altijd al was geweest: intiem, open, liefdevol en spontaan. Hij doorzag de basisillusie achter alle menselijk lijden als het zoeken naar iets buiten het huidige moment, en besefte daardoor nooit ergens anders te kunnen zijn dan juist middenin het huidige moment.
Niet lang hierna schreef hij zijn eerste boek, Life without a centre, en kort daarna nog twee boeken. Hij werd gevraagd om bijeenkomsten te houden, en doet dat nu nog steeds. Hij heeft zijn activiteiten inmiddels uitgebreid met retraites en een-op-een-sessies. Ongeacht de vorm waarvoor gekozen wordt, probeert hij mensen te wijzen op hun eigen afwezigheid en de diepe acceptatie die aanwezig is in het huidige moment, zelfs als er sprake is van angst, woede of stress. Hij doet dit op een rechtstreekse, compromisloze manier, maar ook met humor en compassie. Hij behoort niet tot een specifieke traditie en hangt geen welomschreven gedachtengoed aan. In alle vrijheid probeert hij zijn onderricht toegankelijk te maken voor iedereen.
 
Ik ontmoet Jeff op zijn logeeradres, op het moment dat hij voor eerst Nederland bezoekt voor een serie bijeenkomsten. Een jonge man met een verwarde haardos en slaperige ogen doet de deur open. In mijn ooghoeken zie ik nog net zijn vriendin de trap naar boven oplopen. Hij excuseert zich voor het feit dat hij zich bijna verslapen heeft en neemt me mee naar de woonkamer. Hij zet thee en praat intussen over zijn kennismaking met Nederland. Alles is nieuw voor hem, maar hij verzekert me dat dat inmiddels eigenlijk altijd het geval is. De dingen doen zichzelf, en als dat betekent dat hij recht uit bed met een wildvreemde over nondualiteit zit te praten, dan is dat eenvoudig zo. De openheid en het jeugdige enthousiasme waarmee hij over zichzelf vertelt, of liever gezegd over de afwezigheid van zichzelf als persoon, werkt aanstekelijk. Het gesprek hoeft geenszins op gang gehouden te worden. Ook dat doet moeiteloos en merkbaar zichzelf. Als we uiteindelijk besluiten dat het gesprek klaar is, trekt het zich daar niets van aan. Pas als de voordeur weer dicht gaat en verdere communicatie onmogelijk is geworden, houdt de woordenstroom op. “Ik hoop dat we elkaar nog eens zien”, zeg ik ten afscheid. “Ongetwijfeld”, is zijn antwoord. En zo geschiedde ook.
 
 
 
Jeff, hoe ben je ertoe gekomen om op zo’n jonge leeftijd te gaan spreken over non-dualiteit?
 
Dat vraag ik me ook wel eens af als ik weer eens met een groep mensen bij elkaar zit. Ik kan me in elk geval goed verplaatsen in de beleving van de zoeker, want ik heb werkelijk alles geprobeerd, ik heb naar alles gezocht, ik heb alle vragen gesteld. Ik bedoel, elke vraag die me ooit gesteld is, heb ik zelf ook wel eens gesteld.
 
Ik heb je horen zeggen dat het het denken in het algemeen is dat die vragen stelt, dat vragen op geen enkele manier persoonlijk zijn, en dat ze zich daarom blijven herhalen.
 
Ja, het is steeds dezelfde vraag. Dat is het wat hier wordt gezien: dat het allemaal verschillende versies van dezelfde essentiële vraag zijn. Het is de beweging in de richting van een toekomst, het is het hoe en waarom. Het is een beweging, meer niet. Je kunt daar een miljoen woorden voor gebruiken … Soms is het zo leuk om mensen te observeren. Ze stellen van die ellenlange vragen, maar eigenlijk is het steeds dezelfde vraag. Dat is wat het denken doet: het werpt vragen op.
Ik spreek nu wel vrolijk over non-dualiteit, maar nog niet zo lang geleden voelde ik me vreselijk ellendig. De last van het persoon zijn hing als een molensteen om mijn nek, maar plotseling was dat gevoel zomaar ineens verdwenen. Zo denkbeeldig is die last in feite. Ik kan me voorstellen dat mensen het verhaal van Jeff wel interessant vinden. Het gebeurde zo snel, er was geen dertig of veertig jaar durende zoektocht aan vooraf gegaan, ik heb geen leraren gehad …
 
Maar je hebt wel alle boeken gelezen.
 
Ja, ik las boeken, maar ik ben nooit naar India gegaan, ik heb nooit een leraar opgezocht, ik ben nooit naar bijeenkomsten gegaan. In plaats daarvan zat ik in mijn achtertuin en las ik af en toe een boek. Ik mediteerde en ik keek naar de bomen en de bloemen. Je hoeft niet dertig jaar te mediteren, of tien jaar, of zelfs maar één jaar. We stellen al die voorwaarden, we maken boodschappen lijstjes van dingen die we moeten doen vóór we vrij kunnen zijn. En dan valt alles zomaar in één keer uit elkaar.
Daarna was er een periode waarin het heel moeilijk was om in de wereld te leven. Ik nam afstand van de wereld omdat het onmogelijk was hier over te spreken. Maar zelfs dat was nog een subtiele vorm van afgescheidenheid. Maar uiteindelijk kom je toch terug in de wereld en ga je het spel meespelen dat je een persoon bent, wat je in feite altijd al hebt gedaan. Het is altijd een spel geweest, je hebt altijd al gedaan alsof. Je past je aan aan de beleving van anderen, je gaat hun droom niet ontkennen. Jarenlang heb ik geprobeerd aan de droom te ontsnappen, maar dat gaat gewoon niet, dat is alleen maar een andere vorm van afgescheidenheid. Uiteindelijk is Eenheid ook de droom. Je gaat mee in de droom van mensen. Je gaat niet zeggen: ‘Hé, ik ben niemand, hoor. Ik besta niet’.
Eigenlijk zijn we verbijsterende wezens. We zijn in staat om hier te zitten en over Eenheid te praten. Ik denk dat zo het idee van God is geboren. Zo beginnen alle religies. Dit is zo verbijsterend. Je krijgt het gevoel dat een grotere macht dit alles teweeg heeft gebracht, dat dit te verbijsterend is om uit zichzelf te kunnen gebeueren. Dat is het begin van alle religies. In het eerste deel van de Bijbel staat: “En toen zag hij dat het goed was”. En dat is eigenlijk wat er gezien wordt: het is ons goedgezind, want het is allemaal Een.
 
Ik denk dat je het gevoel moet hebben dat het goed is, vóór je de schepping kunt zien zoals ze werkelijk is. Anders is er weerstand, en verdeel je de schepping in goed en kwaad.
 
Absoluut. In de Bijbel zegt God ook: “Ik laat de zon schijnen op het goede en het slechte in gelijke mate”. God heeft helemaal geen voorkeur voor het goede. Op de een of andere manier bestaat er een perfecte balans tussen goed en kwaad. Die hebben elkaar nodig.Maar wij zijn geneigd om alleen maar de helft van de wereld te zien. Met alle oorlogen die ooit op deze planeet hebben plaatsgevonden, hebben mensen geprobeerd een paradijs op aarde te scheppen, alleen het ‘goede’ te hebben. Ze willen toewerken naar een volmaakte wereld. Maar die bestaat niet. Daar begint alle geweld. Denken dat je het ene kunt hebben zonder het andere. Terwijl goed en kwaad altijd volkomen in balans zijn.
Soms denk ik dat we het idee van verlichting ontwikkeld hebben om te kunnen ontsnappen aan het onvolmaakte, het persoonlijke leven, en toe te kunnen werken naar het volmaakte, het onpersoonlijke leven. Maar daarmee doe je de werkelijkheid geweld aan. Ik heb het nooit bereikt. Ik heb nooit gekregen wat ik wilde hebben. Niemand heeft ooit de verlichting bereikt. Natuurlijk zijn er mensen die denken dat ze die wel bereikt hebben en die dat vervolgens de hele wereld laten weten. Maar het is niet meer dan een overtuiging: ik ben ontwaakt en jij niet.
 
In een van je boeken heb je geschreven dat verlichting wel een teleurstelling moet zijn omdat je nooit krijgt wat je wilt.
 
Ja, verlichting is de allergrootste vorm van falen. Het is het falen van het denken om te krijgen wat het wil hebben. Het denken zal nooit krijgen wat het wil hebben. Zelfs als het denkt dat het heeft wat het wil hebben, zal het een keer sterven, zal het verliezen wat het denkt te hebben. Bij alles wat je hebt zul je altijd vrezen dat je het weer kwijt zult raken. Dus zelfs als je denkt dat je tot ontwaken bent gekomen, dat je verlichting hebt bereikt, ga je het toch weer verliezen. Dat is onvermijdelijk. Iets geloven gaat altijd samen met de schaduw van de twijfel. Als je denkt verlicht te zijn, ga je het weer verliezen. Maar dit kan niet verloren worden.
 
Waarom zijn mensen dan nooit tevreden met dit? Waarom is het nooit genoeg?
 
Afgescheidenheid. De kern van het probleem is de gedachte ‘Ik ben een afzonderlijk persoon’. Wat die afzonderlijke persoon ook doet of laat, wat hij ook bereikt, de kern blijft een gevoel van afgescheidenheid, van gemis. Dat brengt spanning met zich mee. De persoon verlangt ernaar thuis te komen, heel te zijn. Dat is de illusie, dat is het spel dat Eenheid speelt. Want in feite verlangt Eenheid om thuis te komen bij zichzelf. Eenheid verlangt naar de dood. We willen sterven. In zoveel dingen die we doen zit het verlangen verborgen om te sterven. We drinken onszelf dood, we doen extreme sporten, we springen uit vliegtuigen en zo, of we mediteren. En het orgasme is ook een vorm van sterven. En toch vrezen we de dood juist het meest van alles.
 
De diepe slaap lijkt daar een uitzondering op te zijn, want ook dat is een soort dood. Alleen zijn we daar niet bang voor.
 
Dat is vreemd, hè? Elke nacht sterven we, en als we weer wakker worden, zeggen we: ik sliep. Maar je was er helemaal niet meer. Je was dood. Elke nacht vindt de dood plaats, zodat het lichaam kan herstellen, zichzelf kan helen. Als je het zo ziet, maakt dat je dankbaar. Wow, ik leef, ik krijg er weer een dag bij.
 
Maar dan doet de wereld weer zijn intrede, en ga je je zorgen maken over wat er allemaal nog moet gebeuren.
 
Iedereen maakt dat mee. Je wordt ’s morgens wakker, en ook al is het maar een sekonde, je weet eventjes niet meer wie je bent, en dan begint het weer: o jee, ik moet vandaag nog dit en dat doen. Het denken komt in ijltempo binnen om de leegte te vullen.
Zelfs mensen die nooit van spiritualiteit hebben gehoord proeven elke morgen wat het is om tot ontwaken te komen. Ik herken dat. Het grootste deel van mijn leven wist ik niet eens wat spiritualiteit was. Ik dacht dat het te maken had met heksen en toverdrankjes en tovenaars en zo. Ik was een toegewijde atheïst, en alles wat naar spiritualiteit en religie riekte vond ik flauwekul. Maar ik ben er van overtuigd dat ook ik er als kind elke ochtend van geproefd heb. Maar voor het denken stelt het niets voor, en daarom herkennen we het niet.
 
Je kunt het niet vastgrijpen, en daarom gaan we op zoek naar iets conreters. En dat is het verhaal van ons leven en de wereld.
 
Als kind kon ik nooit in slaap komen. Ik probeerde ’s avonds in bed altijd mijn problemen op te lossen. Ik lag dan te denken wat ik morgen moest doen, etcetera. Maar eigenlijk wil het lichaam alleen maar slapen, en daar heeft het jou helemaal niet bij nodig. Het lijkt wel of we daar niet op durven te vertrouwen.
 
Het is een soort vicieuze cirkel, want je kunt jezelf niet wegdenken.
 
Nee, je kunt niet stoppen met denken. Het denken komt uit het niets tevoorschijn, en verdwijnt ook weer in dat niets.
 
Uiteindelijk ben je over dat niets gaan spreken, en over Eenheid en bevrijding. Wat is eigenlijk de kern van je boodschap?
 
Oppervlakkig gezien lijkt het misschien alsof ik steeds hetzelfde zeg. Maar in feite is het altijd weer nieuw, en het verveelt nooit. Als je over Eenheid spreekt, gaat het niet over iets levenloos, over een geloofsysteem. Eenheid is in zekere zin altijd nieuw, het gaat om iets levends.
Ik zie mezelf niet als leraar. Dat maakt het makkelijk. Zodra ik mezelf opstel als leraar wordt het moeilijk, want dan moet ik iets overdragen. Toen dit gezien werd, was het heel duidelijk dat het niet over te dragen is, dat het niet te leren is, want het is er al. Het is dit. Leraar zijn suggereert dat er iets aan een ander over te dragen valt. Maar op een of andere manier kan het wel gedeeld worden. In feite wordt het altijd al gedeeld, door alles. Alles draagt dit uit, alles deelt dit met ons: de tafel doet dat, de stoel ook. Maar het zit natuurlijk niet in de woorden. Jarenlang heb ik geprobeerd de woorden te begrijpen, en ik raakte er alleen maar van in de war. Het frustreerde me, ik raakte erg teleurgesteld.
Maar op een of andere manier wordt het duidelijk als de wil om het allemaal te begrijpen wegvalt. Als de vragen wegvallen, is er plotseling een weten. Het is niet in woorden te vatten, en op het moment dat je erover probeert te praten, zit je al in de droom, in het denken. Maar het is zo overduidelijk dat het jou niet nodig heeft om begrepen te worden. Het heeft ook niet met jou te maken, het heeft niets te maken met leerlingen en leraren. Op een of andere manier kan het met elkaar gedeeld worden. Dat is het wonderlijke. Maar als ik iemand probeerde te zijn die non-dualiteit probeert over te brengen, zou ik dat niet kunnen. Die Jeff moet eerst plaats maken, die moet stoppen met leraar spelen. Het heeft helemaal geen leraar nodig, daar is helemaal geen behoefte aan. Het geniet ervan zichzelf tot uitdrukking te brengen. Dat is de ontmoeting, dat is het intieme. Het is niet zo dat ik het naar jou toe tot uitdrukking breng, het brengt zichzelf tot uitdrukking, naar niemand toe. Dat heeft iets heel moois. De eerlijkheid ervan is heel bijzonder.
 
Als je er niet bent, hoe zou het dan nog oneerlijk kunnen zijn?
 
Precies. Het is gewoon pure authenticiteit, eerlijkheid. Die komt bovendrijven. En dat is ook alles wat er gebeurt, waar we altijd zijn. Dat is het wonder, iets wat uit niets voortkomt, de absolute spontaniteit ervan. Zelfs deze woorden, en de geuren en geluiden, dat komt allemaal voort uit niets … ondanks onszelf. Precies daar waar we ons bevinden is ook het wonder aanwezig, de big bang. Het is schepping en vernietiging die tegelijkertijd plaatsvinden. In onze zoektocht naar een identiteit, om iets of iemand concreets te zijn, verwijderen we ons zo ver van het wonder van iets dat uit niets voortkomt. En dat gebeurt altijd, ieder moment. Zelfs tijdens het meest intense lijden is het nog iets dat uit niets voortkomt, en niemand die het doet, en niemand die lijdt. En daar ligt de vrijheid.
 
Een vrijheid die niet over te dragen is.
 
Hij is niet over te dragen, maar hij kan wel gedeeld worden. Het is de vreugde van de ontmoeting met jezelf eigenlijk. Het is een herkenning, en die gaat eenvoudig over in vriendschap, het ontmoeten van vrienden … dan wordt dat wat gezegd wordt een levende ervaring. Je kunt komen en zeggen: ‘O, ik begrijp wel dat er niemand is, ik begrijp wel dat er geen sprake is van keuze’, maar dan wordt het een vorm van intellectueel begrijpen. Tijdens de bijeenkomsten wordt het iets levends. In de stiltes die vallen wordt zo duidelijk gezien dat er niemand is, dat er niemand aanwezig is in de ruimte. Het draagt zichzelf over, het heeft mij helemaal niet nodig, het heeft helemaal geen leraar nodig. En in zo’n omgeving brandt het zoeken zichzelf op. De bijeenkomsten zijn net brandstapels.
 
Toch is het denken moeilijk buiten de deur te houden, want iedereen om je heen gaat er vanuit dat ze een geest en een identiteit hebben. Het is moeilijk om in de levende leegte te blijven als je met andere mensen omgaat.
 
Als dit gezien wordt, is er alleen maar Eenheid. En zelfs dat kun je eigenlijk niet zeggen. Er is gewoon niets. Er is geen verleden, geen toekomst. Alles is gewoon. En alles wat er gebeurt is dat het denken weer binnenkomt, maar ook dat is Eenheid. Het denken komt weer binnen en doet alsof je het kwijt bent. Het zegt: je had het, en nu ben je het kwijt. Maar je had het natuurlijk helemaal niet, want jij was er niet meer. Maar dat is het spel, en zelfs dat valt weg, en dan wordt gezien dat je er nooit in of uit kunt vallen. Zelfs verdwaald raken in gedachten is Eenheid, vindt plaats in Eenheid. Middenin het meest vreselijke verhaal, het meest vreselijke lijden, kan dit gezien worden. En dan wordt het pas iets levends. Dan is zelfs het verhaal geen vijand meer.
Maar natuurlijk is Eenheid ook het laatste concept dat wegvalt. Je moet zelfs de Eenheid verliezen, want door het Eenheid te noemen heb je er iets anders van gemaakt. Zodra je erover praat, zit je alweer in de dualiteit, zit je weer in de droom van dit en dat, op en neer, links en rechts, yin en yang, eenheid en tweeheid. Toen dit gezien werd, was het zo duidelijk, maar ik kon er niet over praten. Het werd zo helder gezien dat het maar het beste leek om er niet over te praten.
 
Je hebt gezegd dat zwijgen de enige eerlijke optie is omdat het leven, dit, niet in woorden te vatten is. Wat is dan je motivatie om het hier toch met anderen over te hebben?
 
Het eerlijke antwoord is: ik weet het niet. Ik heb geen idee. Echt niet. Ik zeg dat niet om slim uit de hoek te komen. Het gebeurde gewoon. Toen het net gezien was, was meteen ook duidelijk dat het niet overgedragen kan worden, dat je er niet over kunt praten. Ik was niet van plan bijeenkomsten te gaan houden, ik dacht dat ik hier nooit over zou spreken. Maar op de een of andere manier kreeg ik een uitnodiging om te spreken, en kwam het woord ‘ja’ uit mijn mond. Misschien was ik er klaar voor om erover te gaan spreken.
 
Hoe heeft men je gevonden? Had je toen al je eerste boek geschreven?
 
Ja, het ging via het boek. Ik ging naar die eerste bijeenkomst, en vlak voordat ik zou beginnen dacht ik: ‘O jee, dit kan ik niet’. En dat was ook zo, dat was helemaal waar, want zodra ik ga zitten en denk: ‘O jee, nu moet ik iets gaan zeggen’, komt er niets. Want ik weet niets. Mensen denken dat ik iets weet, dat ik iets begrijp wat zij zelf niet begrijpen. Maar dat is het niet. De woorden komen uit het niets tevoorschijn, zonder enige moeite, want alles wijst op dit. Mensen denken dat non-dualiteit een heel abstracte theorie vertegenwoordigt, maar in feite raakt het juist de kern van alles. Dat moet ook wel, want het is alles. Alleen de verwoording maakt het abstract.
Dit lichaam heeft jou en je lijden en je problemen helemaal niet nodig. Hier is een veel diepere intelligentie aan het werk. Die zorgt ervoor dat de bloemen groeien, dat de vogels vliegen, dat het hart pompt. Ik denk dat we ons daarom zo aangetrokken voelen tot de natuur. Want daar zijn de dingen zo duidelijk wat ze zijn, daar is geen beweging naar iets anders toe, daar is geen sprake van zoeken. Dat is de weerklank. Dat herkennen we. Kijk maar eens naar de ademhaling. Die vindt gewoon plaats. We zijn ons er niet eens bewust van.
 
Maar zodra we ons met de ademhaling gaan bemoeien, beginnen de problemen.
 
Dan raakt het ritme helemaal verstoord. Maar als we de ademhaling met rust laten, gaat het gewoon vanzelf. En als we ’s nachts liggen te slapen slaat ons hart, ademen de longen en herstelt het lichaam zichzelf. We moeten uit de weg gaan, zodat het lichaam zichzelf kan herstellen. En als we dan ’s morgens wakker worden denken we: ‘O jee, ik moet nog zoveel doen’. En dan vindt er een verkramping plaats. Ik denk dat de meeste mensen niet in de gaten hebben hoe verkrampt ze zijn. Vanaf je geboorte wordt je geleerd wie je bent en wat je moet doen, wat je moet zijn – je moet erop uit en hard werken, je moet iets van je leven maken voor je sterft. Maar denk eens aan bloemen. Die staan niet te denken: ‘O jee, ik moet een prachtige bloem zijn, ik moet mooier zijn dan gisteren, ik moet verlicht zien te worden’. Ze zijn al ontwaakt, het universum is al ontwaakt. Alleen denken wij mensen, wij individuen, dat we losstaan van het geheel. We denken dat we slapen en dat we wakker moeten worden. Maar in werkelijkheid is alles al volledig ontwaakt. Tijdens een van de bijeenkomsten kwam er iemand een keer plotseling tot het besef dat er hier altijd wat gebeurt. Noem het wat je wilt, maar het is geen bewegingloze nietsheid, het is geen zwarte leegte. Dat had wel zo kunnen zijn, er is geen reden waarom het niet zo zou kunnen zijn, maar het is gewoon niet zo. Er is toevallig van alles gaande. Het universum staat aan, het staat niet uit. Het is niet in slaap, het is wakker. Dit is al ontwaakt. Het wonder is dat het er überhaupt is.
 
Die verwondering is misschien wel iets wat wezenlijk bij ontwaken hoort.
 
Daarom denk ik dat ontwaken onvermijdelijk is. Het gebeurt nu of het gebeurt als je sterft. Als je sterft, valt alle zoeken weg. De paradox is dat dat het juist is waar we het bangst voor zijn. Als je er heel goed naar kijkt, gaat het in feite om hetzelfde. Hele jonge kinderen zijn niet bang voor de dood. Ze ervaren nog geen wereld buiten zichzelf. Ze onderzoeken alleen maar wat er is.
Ik herinner me dat ik altijd rondliep met mijn ogen dicht. Als ik op straat liep, waren mijn ogen altijd naar beneden gericht. Het was net alsof ik mezelf probeerde te beschermen. En ik knipperde ook heel veel met mijn ogen. Ik probeerde de wereld altijd zoveel mogelijk buiten te sluiten, het was me allemaal teveel. Maar sinds dit gezien is, zijn de ogen veel vaker open. Dat heeft niets met mij te maken. In mijn afwezigheid zijn ze op een of andere manier echt gaan zien. En daar zijn ze ook voor bedoeld. We hebben het zo druk met kijken dat we niets meer zien. Door steeds maar uit te kijken naar iets, te zoeken, zien we niet wat er al is.
 
En blijven we proberen de waarheid in onze greep te krijgen.
 
Maar non-dualiteit kun je niet in je greep krijgen. Je kunt het niet gebruiken als geloofsysteem. Het is een zien, een helder zien, en in dat zien ben jij afwezig. Het is een zien dat je niet kunt ‘doen’. En het is ook geen kwestie van keuze, dat is het nooit geweest. Maar het zet je er op een of andere manier niet toe aan om mensen te gaan vermoorden, of op de bank te gaan zitten en niets meer te doen. Want het staat niet langer los van alles. Dat was ook nooit het geval, maar nu wordt dat gezien, en daardoor ziet het in feite overal verschillende versies van zichzelf. Het is er niet op uit om zichzelf pijn te doen. Waarom zou het ook? En omdat er niets meer is om te verdedigen, is er een openheid naar wat zich voordoet. Het is verbijsterend dat dat in het universum ingebouwd zit.
Ik heb het woord ‘mededogen’ nooit begrepen. Ik dacht altijd dat het iets wolligs, iets mafs was waardoor je je goed gaat voelen. Maar mededogen is in feite heel destructief. Het breekt je af. Mededogen is het zien dat er geen sprake is van afgescheidenheid, dat jouw ogenschijnlijke lijden in feite mijn lijden is. Maar tegelijkertijd is het niet van mij of van jou. Dat creëert ruimte om met dat lijden om te gaan, want als jij me zegt dat je lijdt, oké, dan geloof ik je. Ik hoef dan niet te blijven zitten en net te doen of er geen sprake is van lijden, van persoonlijke aanwezigheid enzovoorts … Gisteren kwam er iemand na de bijeenkomst naar me toe en zei: “Jeffrey, weet je, je hebt vanavond het meest bruikbare gezegd wat ik een advaitaleraar ooit heb horen zeggen”. Hij had me gevraagd: “Wat doe je als er iemand naar je toe komt en hij sterft van de honger, en jij ziet dat er in feite niemand is?” Ik zei: “Nou, dan geef je hem te eten”. Je kunt het lijden van anderen niet meer buitensluiten, want er is geen ervaring van jij en ik meer. Mensen hebben het idee dat ontwaken het bereiken is van een hogere staat van bewustzijn waarin je niets meer voelt, waarin je op een troon zit en op de wereld neerkijkt en jezelf meer voelt dan een ander. Dat is heel doods.
 
Eenheid betekent dat het om één levend, organisch geheel gaat.
 
We weten dat allemaal. Zelfs mensen die niet geïnteresseerd zijn in spiritualiteit weten het. Als er daarginds iets ontploft, reageert dit lichaam. Dat kun je niet tegenhouden.
 
Er is geen onderscheid tussen de knal en het lichaam. Die zijn één.
 
Het is niet eens een reactie van het lichaam. De knal en de reactie erop zijn één. Eén beweging. Net als dat je in de zon kijkt – de ogen en de zon zijn één. Alles is op de meest intieme wijze met elkaar verbonden, het is allemaal één ‘ding’. Er is een mooi Zen-verhaal. Het komt erop neer dat een man in London drinkt, en een man in New York dronken wordt. Dat is hetzelfde. Het is allemaal Eén. Dat kan in feite niet met behulp van het intellect begrepen worden. Op het moment dat je het probeert te begrijpen, heb je er een theorie van gemaakt. En we houden van theorieën. Het ego houdt van theorieën.
 
Een afzonderlijk individu zijn is misschien wel de meest veel voorkomende en favoriete theorie van allemaal.
 
Het is een heel westers idee, het idee van het afzonderlijke zelf. We zijn heel sterk geconditioneerd in zulke theorieën. Ik weet in ieder geval dat ik opgegroeid ben met het idee dat het gewoon zo is.
 
En iedereen die anders denkt beschouwen we als een bedreiging.
 
We hebben vijanden nodig om te weten wie we zijn. Het is allemaal een zoeken naar identiteit. We hebben iets nodig om tegen te vechten. We hebben het nodig om ons te onderscheiden van anderen.
 
Daarom zeg je ook dat onderscheid maken gelijk staat aan geweld aandoen.
 
Onderscheid houdt in dat er iets is wat onvermijdelijk een keer tegen iets anders aan gaat botsen. Het is net als met elektriciteit. Elektriciteit kan zichzelf niet kennen tot het weerstand ondervindt. Dan pas kan het zichzelf kennen als electriciteit. Iets moet tegen iets anders aanbotsen om zichzelf te kunnen kennen. We hebben dus een vijand nodig om onszelf te kunnen kennen. En die vijand dienen we te vernietigen.
 
Om zo onze eigen identiteit te versterken. Zolang je geen anderen ziet, ben je er zelf ook niet.
 
Kijk maar naar Hitler. Om te weten wie hij was als nazi, als Ariër, moest hij alles vernietigen wat geen Ariër was. Maar dan houd je een wereld vol Ariërs over, en dan heeft het concept ‘Ariër’ geen betekenis meer. Als alles hetzelfde is … dat is het domme eraan, dat is de onwetendheid ervan. Alle geweld in de wereld komt niet voort uit het kwade, het komt voort uit domheid, uit onwetendheid. Het kwade bestaat helemaal niet. Als je kijkt naar het woord ‘kwaad’… Jezus zei: ‘Bemin uw naaste als uzelf’. Als je naar de originele tekst kijkt, kun je het ook vertalen als: ‘Bemin het kwade in uzelf’. Het kwade betekent in zekere zin dat iets zich onderscheidt van iets anders. Het is dus: ‘Bemin de ander in uzelf’. Als Hitler van de Jood in hemzelf had kunnen houden, hadden er geen zes miljoen mensen hoeven sterven. Het komt allemaal voort uit weerstand. We denken: er is een deel van mezelf wat ik niet mag, en dat projecteren we vervolgens op anderen, en door die te vernietigen, wordt dat stukje van onszelf ook vernietigd. Het is zo duidelijk als je het eenmaal ziet.
 
Waarom zien mensen het dan niet?
 
Het is zo vreemd. Er bestaat geen kwaad, er bestaat alleen maar onwetendheid, domheid, afgescheidenheid. In dit verband is het woord ‘zonde’ ook interessant. In het oorspronkelijke Grieks betekent het: het doel missen. Dat betekent het. Het komt van het boogschieten: het doel missen. Zonde, het kwade, betekent gewoon dat je het doel van het leven niet begrijpt. Hitler is dus het ultieme voorbeeld van iemand die de plank volledig misslaat. Mensen zeggen: waarom is er lijden, waarom moet dat er zijn? Nou, het zal zich blijven voordoen tot dit gezien is. Het moet zich blijven voordoen om ons te wijzen op onze eigen domheid.
 
Dus hier in het openbaar over praten met een groep mensen komt erop neer dat je ze wijst op hun eigen domheid.
 
Ja, en dat vinden ze niet leuk. Daarom lopen er ook mensen weg. Dat gebeurt best vaak. Aan het begin van een bijeenkomst zeg ik meestal dat men vaak boos of gefrustreerd reageert op wat ik zeg, omdat men niet krijgt wat men wil. Als je naar een bijeenkomst komt met een idee van wat je wilt of vanuit de gedachte dat er iets te halen valt, ga je waarschijnlijk gefrustreerd de deur uit, of loop je zelfs weg voor de bijeenkomst beëindigd is.
 
Je bent een spiegel.Verveling of frustratie zullen zich in jou weerspiegelen.
 
Dat klopt. Je neemt jezelf mee naar een bijeenkomst, en dat is ook alles wat je te zien zult krijgen. Het laatste wat het denken wil horen is dat je er niet bent. Het denken wil gelijk krijgen, het wil bevestigd worden. Als het naar een bijeenkomst gaat, krijgt het niet waar het op uit is. Dat is de frustratie. Als mensen weglopen, denk ik altijd dat dat ook maar het beste is. Er moet sprake zijn van een zekere bereidheid om dit te horen. Het is iets vreemds, maar er moet sprake zijn van een bepaalde openheid, een soort bereidheid. In zekere zin is het de bereidheid om te sterven, en die bereidheid doet zich niet voor tot hij zich wel voordoet.
 
Ik denk dat veel mensen gewoon niet horen wat je zegt door alle concepten en verwachtingen die ze meenemen naar een bijeenkomst.
 
Absoluut. Ze proberen datgene wat ze horen in te passen in hun systeem, en dan blijkt dat niet mogelijk. Dat is de vrijheid ervan, dat is de schoonheid ervan: het valt nergens in te passen, en alles wat je denkt dat het is, is het niet. Dus als je naar een bijeenkomst komt met een idee over wat het is, zal daar korte metten mee gemaakt worden. Maar het kan heel bevrijdend zijn om erachter te komen dat het niet is wat je dacht.
Aan het begin van een bijeenkomst voel ik soms dat men niet op zijn gemak is. Voor aanvang is de ruimte leeg, is er alleen maar ontspanning. Dat is heerlijk, en dan beginnen er mensen binnen te komen en ga je een bepaalde spanning voelen. Het lichaam is heel gevoelig voor wat er gaande is. In zekere zin is het leeg, is het een leegte die ruimte biedt aan alles wat er staat te gebeuren. Die leegte staat niet los van wat er in de ruimte plaatsvindt, dus je voelt de verwachtingen en de spanning. Het is iets levends. Dat maakt de bijeenkomsten interessant. Vaak is er aanvankelijk die spanning, en volgt er meestal een ontspanning, en soms zelfs een stilte; geen doodse stilte, maar een levende stilte.
 
Maar als mensen die stilte verwachten, is er toch weer sprake van een zekere spanning.
 
Ja, dat is zeker zo. Het zoeken neemt steeds subtielere vormen aan. Zelfs naar een bijeenkomst komen om die levende stilte te ervaren, is gewoon een nieuwe vorm van zoeken. Maar ook daar is uiteindelijk niets mis mee.