Zee van niet-weten

 
De grot is schaars verlicht en kleiner dan verwacht. Op de wanden van de smalle gangen en de wat grotere ruimten die kamers genoemd worden, zijn tekeningen aangebracht in aardkleuren: bruin, oker, geel, zwart, donkerrood en wit. De gids vertelt dat hier duizenden jaren geleden jagers hebben geschuild en vermoedelijk religieuze rituelen hebben uitgevoerd. Dieren die allang zijn uitgestorven vullen samen met stieren en paarden het grootste deel van het wandoppervlak. Ik bevind me in de grotten van
Lascaux.
 
De afgebeelde taferelen bezitten een levendigheid en gratie die hun grote faam rechtvaardigen. Maar als de gids over de recente geschiedenis van de grot vertelt, doet een zekere vervreemding zijn intrede. Want we blijken ons niet in de originele grotten te bevinden, maar in een exacte replica ervan, Lascaux II genaamd. De oorspronkelijke tekeningen waren in de beginjaren na de ontdekking van de grotten zodanig aangetast geraakt, dat besloten werd om Lascaux II te maken en de oorspronkelijke grotten, die zich enkele tientallen meters verderop bevinden, niet langer toegankelijk te houden voor publiek.

 Als het verhaal van de gids tot me doordringt, lijken de tekeningen hun levendigheid en gratie kwijt te raken. De kleuren lijken fletser, de vormen minder mysterieus. Tot ik besef dat er niets veranderd is, behalve het verhaal over wat ik zie. Wat ik meende te zien was een prehistorische grot vol rituele tekeningen met een fascinerende geschiedenis, waarin mensen net als wij in uiterst primitieve omstandigheden probeerden te overleven en betekenis aan hun leefwereld trachtten te geven. En aan dat verhaal zaten weer talloze andere verhalen vast over de evolutie van de mens en de dieren waarmee hij leefde. Maar wat ik werkelijk zie is het nu in de vorm van wanden en vloeren en lampen en mensen die gedempte geluiden maken. Alle verhalen vervagen, ook de verhalen over mijzelf. Er blijft slechts een niet-weten over, een vormloos gewaarzijn gevuld met kleuren en geluiden zonder betekenis. Ik zie een lichaam, ‘mijn’ lichaam, de grot uitlopen en het linkerpad aflopen dat naar de parkeerplaats leidt. Ik zie de benen bewegen, ik zie de voeten zorgvuldig op de grond neerkomen en weer van de grond loskomen. Ze hebben geen weet van wat ze doen, geen idee dat ze iets doen. Ze bewegen alleen maar, zonder concept, zonder uitgangspunt. Een handeling bevat geen gedachte.
Heb ik de keuze gemaakt om naar Lascaux te komen? Kies ik ervoor om het linkerpad te nemen naar de parkeerplaats, in plaats van het rechterpad dat naar het restaurant leidt? Het enige dat ik weet, dat ik kan weten, is dat het gebeurt. Het rechterpad nemen is nooit een optie geweest, want het gebeurde niet. Alleen in de droom van het persoonlijke bestaan leek die optie er te zijn. Wat in werkelijkheid plaatsvindt is altijd de enige optie. Maar dat betekent nog niet dat de dingen van tevoren vaststaan. Want dat zou impliceren dat er iets of iemand aan het roer zit, een entiteit met controle over de wereld der verschijnselen. In werkelijkheid bestaan er alleen maar verschijnselen. Ook gedachten en ideeën over keuzemogelijkheden en lotsbepaaldheid maken deel uit van de totaliteit van verschijnselen. Die totaliteit is wat we het nu noemen, en dat is volkomen vrij – vrij van keuze en het ontbreken van keuze.
 
Het nu bevat geen verhaal, geen geluidsband met ondertiteling. Het nu heeft geen betekenis. Het is onverstoorbaar en altijd zichzelf. Het komt nergens vandaan en gaat nergens heen. Het ervaart altijd alleen maar zichzelf, zonder te weten wat het is. Vragen als wat, hoe en waarom hebben nergens betrekking op. Ze kunnen niet verbonden worden aan een verhaal. In het ongedefinieerde en onbenoembare nu blijft elke betekenisgeving doelloos ronddrijven in niet-weten. Het leven zoals het zich aandient, in welke vorm dan ook, wordt in volkomen onbevangenheid aanvaard zoals het is - zonder verhaal, zonder iemand die zegt: ik aanvaard het leven zoals het is. Verwondering vormt het basisingrediënt van elke waarneming. Goed noch slecht, mooi noch lelijk hangen als loden gewichten aan de kat die een muis vangt en aan stukken scheurt, met huid en haar verorbert en alleen de galblaas op de deurmat laat liggen. Geen onrecht zit er in dat tafereel, en ook geen wreedheid, alleen verwondering.
Het nu is onbegrensde verwondering, drijvend in een zee van niet-weten. En tegelijk is een zin als deze niet waar, want hij maakt van die onbegrensde verwondering een verhaal over onbegrensde verwondering, drijvend in een zee van niet-weten. Zo’n zin maakt deel uit van de geluidsband die denken genoemd wordt en als ondertiteling fungeert bij de verschijnselen die zich op dat moment voordoen. Maar zelf is die geluidsband ook slechts één van die verschijnselen. Hij kan nooit het geheel overzien waarop hij denkt commentaar te leveren. Het enige dat hij doet is het niet-weten omzetten in een ogenschijnlijk weten en begrijpen. Weg verwondering, weg niet-weten. De val uit het paradijs vindt opnieuw plaats, en met de volgende zin, met het volgende verhaal nog eens. Als de woorden en verhalen gezien worden als dat wat ze in werkelijkheid zijn, zullen ze zich nog steeds blijven aandienen. Maar ze zullen gewoon niet meer geloofd worden. En tegelijkertijd zal gezien worden dat ze de waarheid vertellen zonder die uit te spreken. Want ze verwijzen net als alle andere vormen en verschijnselen naar de waarheid, de onmiddellijkheid, van het verhaalloze nu.
Het nu is altijd Zo, altijd Dit. Het valt niet te verstoren, ook al verschijnt er onrust in, en verhalen over iemand die pijn heeft, verdriet heeft, de waarheid niet ziet, de waarheid nooit zal zien, zichzelf is kwijtgeraakt. Degene die voelt dat het verhaal over het leven dat hem van kleins af aan is bijgebracht niet klopt, die op zoek gaat naar een ander verhaal dat wel het predicaat ‘waarheid’ verdient, is zelf niet meer dan een verhaal. Zijn onbegrensdheid lijkt zich tot dat verhaal te vernauwen, maar in feite drijft het gewoon door het nu heen, ogenschijnlijk voor korte of langere tijd, zonder dat nu te verstoren in welke zin dan ook. Dat kan gezien worden, zonder dat het door iemand wordt gezien. Dat is wat Huang Po bedoelde toen hij zei: ‘De onwetende gelooft niet wat hij ziet, maar wel wat hij denkt te zien. De wijze gelooft niet wat hij denkt te zien, maar alleen wat hij ziet.’
 
Kijken we vanuit rust, vanuit het onverstoorbare, naar wat zich aandient, dan bevat dat geen verleden en geen toekomst. ‘Toen’ en ‘dan’ drijven als verhalen rond in dat waarin ze verschijnen, net als ‘ik’ en ‘zij’, en ‘lang’ en ‘breed’. Het eeuwige veranderingsaspect van het nu brengt met zich mee dat niets van wat zich erin aandient vaststaat. Het nu is het enige dat er is, en wat er in verschijnt kan niet van tevoren vaststaan, omdat het altijd 'onderdeel uitmaakt' van het nu. De dingen kunnen niet anders bestaan dan in het nu. Ook ideeen over dingen die 'staan te gebeuren' kunnen alleen in het nu verschijnen. Ze maken allemaal deel uit van de vorm die het nu aanneemt tijdens hun verschijnen.
Maar tegelijkertijd brengt het onveranderlijke aspect van het nu met zich mee dat wat zich aandient onvermijdelijk is. Want het nu kan nooit iets anders zijn dan wat het is, omdat het het enige is dat er is. Anthony de Mello formuleerde deze waarheid uiterst bondig en precies toen hij verlichting omschreef als ´absolute samenwerking met het onvermijdelijke´.
Precies op dat snijvlak van onbestendigheid en onvermijdelijkheid ligt het ‘punt’ waarop we ons, los van alle verhalen, in werkelijkheid bevinden. In ons alledaagse leven, zoals het nu vaak genoemd wordt, valt niets te voorzien, niets te voorspellen en niets te verklaren. Verschijnselen drijven onaangekondigd rond in onszelf, als onszelf.
In de vorige eeuw was John Cage op zoek naar een manier om zijn muziek natuurlijker te laten klinken. Hij was tot de conclusie gekomen dat de muziek die hij componeerde per definitie gekunsteld was, omdat ze bewust en met het oog op een bepaald emotioneel effect bedacht was. Hij was ervan overtuigd dat spontaniteit en natuurlijkheid niet bedacht konden worden. Maar die konden naar zijn idee wel gevonden worden met behulp van het toeval. Het toeval was volgens Cage het middel om de spontaniteit en de natuurlijkheid waar hij naar op zoek was te manifesteren. Hij besloot zijn muzieknoten tevoorschijn te laten komen door het gooien van een dobbelsteen. Het was een revolutionaire gedachte, maar zijn muziek was niet om aan te horen. Ze miste de vloeibaarheid en de harmonie die ons zo van muziek doet houden.
Wat Cage, ondanks zijn jarenlange studie van het Zenboeddhisme, niet begrepen had, is dat zijn denken net zo’n spontane manifestatie van het universum was als elk ander verschijnsel. De dingen die zich voordoen, in welke vorm dan ook, zijn altijd spontaan, natuurlijk en harmonieus. Ze passen altijd in het nu, en ze worden niet bedacht of gemaakt door iets of iemand - ook gedachten en intenties niet. Een bloem, het lied van een vogel en een muziekstuk van John Cage zijn op het moment dat ze verschijnen allemaal een perfect gecomponeerde uitingsvorm van het nu.
 
We weten gewoon niet waar de dingen vandaan komen, waar ze uit voortkomen. We veronderstellen dat ze ergens vandaan en uit voort komen, maar we weten het niet. We verzinnen verhalen over waar ze uit voortkomen, in de hoop dat de ogenschijnlijke verstoring van de rust waaruit we bestaan, zal verdwijnen. Maar juist die verhalen vormen de ogenschijnlijke verstoring die we trachten op te heffen. De verhalen verwijzen alleen maar naar zichzelf en draaien zichzelf vast in een onontwarbare kluwen. Te zien dat die kluwen onvermijdelijk is, omdat het nu niets anders kan zijn dan wat het is, is de kluwen doorzien als onwaar. En zie, de kluwen ontrolt zich tot een enkele draad zonder begin en zonder eind, en lost uiteindelijk op in het niets - een niets dat geen niets is, geen afwezigheid, maar juist de aanwezigheid van alles wat ervaren wordt. Die aanwezigheid wordt gevoeld als onvermijdelijk, maar niet vanzelfsprekend, als een gegeven en een gekregen tegelijkertijd. Mensen worden gezien in hun staat van onschuld, want wie zou ergens schuld aan kunnen hebben? Wat zich voordoet en laat zien wordt ontvangen in dankbaarheid, telkens opnieuw.
Niets staat vast, maar alles is onvermijdelijk. De waarheid daarvan laat geen ruimte meer voor een centrum binnen het nu waar verschijnselen als ervaringen aan opgehangen kunnen worden. Verhalen over het nu blijven zich aandienen, maar worden niet langer geloofd. Er is niemand die iets doet, vindt of ervaart. De tekeningen in de grotten van Lascaux worden gezien door zichzelf. Alles drijft in een zee van niet-weten. Alles is zich bewust van zichzelf, zonder het te weten.