Het Zelf van alle dingen

Zomer. Eindelijk buiten. Ik kijk omhoog en zie het zachtst denkbare blauw. Af en toe wordt het onderbroken door een even zacht wolkengrijs. De hemel heeft er nog nooit zo uitgezien. We leven altijd in het nieuwe, het onbekende. De planten in de tuin spelen een licht- en schaduwspel met zichzelf. Onzichtbare honden vechten een oorlog uit. De kat kruipt op zijn hoede onder de tuinpoort door. Schaduwen verschijnen op het gras. Het zijn naamloze uitnodigingen van ons Zelf aan ons Zelf. Alles mag er zijn, en weerstand ertegen, op welke manier dan ook, is een vorm van krankzinnigheid.
De schaduwen zijn langer geworden, en de onzichtbare honden laten zich niet meer horen. De kat is opgelucht. Afval en dorre bladeren schuiven over straat in een plotselinge windvlaag. Al deze dingen bestaan, maar ze bestaan niet als losse dingen. Alles wat is, alles wat dit en hier en nu genoemd kan worden, is één hier, één nu, één ‘ding’ dat zichzelf ervaart als wolken, wind, tuin, afval, potlood, papier, gedachten die zichzelf beschrijven. Het Zelf is zich bewust van zichzelf. Een haan kraait. Dit is alles wat er is. Hoe volkomen mysterieus en onbegrijpelijk is het. Maar dit niet-weten zelf is volkomen helder.

Alles is Bewustzijn en verschijnt in en als Bewustzijn. Wat je bent is niet gehuisvest in het lichaam. Het is nergens in gehuisvest, want het is alles wat zich voordoet. Je kunt hoogstens zeggen dat alles ‘gehuisvest’ is in wat je bent. Het komt er uit voort en verdwijnt erin. Wat je bent, is nergens op gebaseerd, nergens aan gebonden, en wordt nergens door veroorzaakt. Het is een ondoorgrondelijk mysterie omdat je er niets over kunt zeggen, omdat je het alleen maar kunt zijn. Alles wat anderen je erover wijsmaken, of wat je jezelf erover wijsmaakt, zijn verhalen. Die kunnen mooi zijn of niet, ze kunnen je aanspreken of niet, maar waar (de Waarheid) zijn ze in elk geval nooit. Ook de dood is niets anders dan een verhaal. Het enige wat er is en wat zichzelf ‘beleeft’, is het leven zelf. Maar zolang er nog sprake is van identificatie met een ogenschijnlijk onderdeel (de ‘persoon’ of ‘ik’ bijvoorbeeld) van het geheel, kan dit niet begrepen worden. Want je bestaan als persoon is een illusie, en kan zich daarom nooit bewust zijn van zijn eigen bestaan. Vandaar dat je altijd lijkt vast te lopen. Maar er is niets dat kan vastlopen. Het enige dat zich bewust kan zijn van zijn bestaan, is het bestaan zelf. Dat is het enige wat er bestaat, onverdeeld (en ondeelbaar), open, spontaan en vrij, en aangezien je één ding zeker weet, namelijk dat je bestaat, dat je er bent, moet jij dat geheel wel zijn. En alles wat er in en als dat geheel verschijnt, inclusief het organisme dat jouw naam draagt, is dus een uitdrukking (en als zodanig ook een weerspiegeling) van die openheid, spontaniteit en vrijheid zonder identiteit.
‘Ik’ is niet meer dan een woord, een zich almaar herhalende gedachte die voortdurend andere gedachten en gevoelens in zijn kielzog meevoert. Die ‘ik’-gedachte heeft geen enkele substantie. Als hij serieus genomen wordt (wat in feite wil zeggen dat de aandacht van het geheel zich vernauwt tot exclusieve aandacht voor die ene ‘ik’-gedachte en diens maatjes – gedachten over jij, wij, zij, die, dat en daar) lijkt die ‘ik’ een onafhankelijk bestaan in het lichaam te hebben. Wordt die gedachte niet meer geloofd (en dat kan die ‘ik’-gedachte natuurlijk zelf niet afdwingen – de ‘ik’-gedachte kan in feite helemaal niets), dan is er plotseling heel veel ruimte en ontspanning, een ontkramping die aanvoelt als een eindeloze uitdijing, een eindeloos vallen in niet-weten, een thuiskomen op de plek waar je altijd al was. Maar daar naar streven of verlangen is vruchteloos, want zo’n streven of verlangen maakt slechts deel uit van het kielzog van het ‘ik’.
 
Het persoonlijke bestaan is niet meer dan een misverstand, maar wel een hardnekkig misverstand. Het is de basis van alle aan de persoon gerelateerde angst en onzekerheid, en van elke zoektocht naar bevrijding. Maar dat betekent nog niet dat je voor altijd vastzit aan dat misverstand. Het kan doorzien worden. Maar niet door jou. Het wordt spontaan en helemaal vanzelf doorzien als je opzij gaat en de dingen, inclusief dat misverstand, alle ruimte geeft om te zijn wat ze zijn. Dan wordt vanzelf ervaren dat je zelf niet iets beperkts en persoonlijks is, maar het Zelf van alle dingen.
Zoeken naar dat Zelf heeft geen zin, want het houdt de illusie iets of iemand te zijn (een zoeker in dit geval) alleen maar in stand. Het uitgangspunt van de zoeker is tenslotte dat er een afgescheidenheid bestaat tussen hem en wat hij zoekt. Zoekt hij de eenheid van het ene Zelf, dan betekent dat dat hij zichzelf buiten die eenheid voelt staan. Maar buiten de eenheid staan – afgescheidenheid - is in feite onmogelijk. Dat is de basis voor een eindeloze zoektocht en een almaar toenemende of terugkerende verkramping.
De ondeelbare eenheid die je bent (en die je deelt met alle ‘andere mensen’) droomt zichzelf een bestaan als beperkt organisme. Dat valt niet te stoppen. Wat er ook gebeurt of lijkt te gebeuren, het dromen gaat door. Wat er wel kan gebeuren, is dat begrepen wordt dat je die droom niet hoeft te geloven. Je bent al thuis, ook al lijk je een hele reis af te leggen. Uiteindelijk kan werkelijk zelfinzicht pas plaatsvinden als het zoeken ophoudt. Dan pas maak je ruimte voor de waarheid.
Als het bestaan als persoon niet meer als werkelijkheid ervaren wordt, ziet de wereld er nog precies hetzelfde uit. Alles gaat zoals het voorheen ook ging. Maar er hangt niet steeds de schaduw overheen van een ik-gevoel dat zich de ervaring toeëigent, er iets van moet vinden, juist moet reageren, zichzelf moet zien te handhaven ten opzichte van andere ogenschijnlijke personen. Alleen het ervaren zelf wordt dan nog ervaren.
 
Het vergankelijke wordt daardoor niet waardeloos, maar komt wel in een ander daglicht te staan. Alleen wat blijvend is (het Ene, dat wat je bent voordat het enige vorm of invulling heeft gekregen) is werkelijk; alle verschijnselen die in het Ene verschijnen, zijn niet meer of minder dan wat ze zijn: verschijnselen. Ze 
komen en gaan, zijn vergankelijk en daarom niet werkelijk. Is iets werkelijkheid als het niet NU bestaat?

Alles verandert onophoudelijk. Daarom bestaat er eigenlijk niets, behalve het ‘iets’ dat altijd verandert, als een wolk of een rivier. Het wonderlijkste is dat dat ‘iets’ zich bewust is van zichzelf – niet als iets, maar altijd als het ongedeelde geheel dat zichzelf ervaart. Als persoon ben ik niet meer dan een idee waarin dat geheel zich uitdrukt, evenals in alle andere ‘dingen’. Er is alleen maar Dit, en dat is wat je bent. Dit is zon en tuin en een grote vlieg met haren aan poten en lijf die op ‘mijn’ hand gaat zitten. Dit is niets anders dan zonnen, vliegen, kijken, schrijven. Dit is niets anders dan Nu. Het is onvermijdelijk, altijd aanwezig. Het is alles, inclusief de illusie van een ik die het Nu zou ervaren. Wat zou er nog meer kunnen zijn? Wat zou er nog meer moeten zijn? Nu heeft genoeg aan zichzelf. Er is alleen maar Dit, de vorm die Bewustzijn ‘op dit moment’ aanneemt. Maar je kunt net zo goed zeggen: er is alleen maar Hier. Of: er is alleen maar Nu. Het zijn woorden die in relatieve termen verwijzen naar het Absolute, naar ‘wat nu is’, in termen van respectievelijk de manifestatie, de ruimte en de tijd. Anders kunnen we er helemaal niets over zeggen. Dat hoeft ook niet, maar soms wil Het dat.
 
Het Ene kan oorzaak noch gevolg zijn/hebben, omdat er niets anders is dan het Ene. Het laat zich echter alleen 'kennen' in de wereld der verschijnselen, en daarin schept het denken (ook een verschijnsel) de illusie van oorzaak en gevolg. Maar het is en blijft een illusie: er gebeurt in feite nooit iets - het Ene is en blijft altijd het Ene, ook al verschijnt het in een oneindig aantal vormen en gedaanten.
Dit betekent dat een bepaald verschijnsel niet beter of slechter is dan een willekeurig ander verschijnsel. Het Ene is volkomen neutraal. Dat is ook de reden dat de wijzen aangeven dat alles 'goed' is, ook alle geweld en lijden in de wereld. In feite is dit gebrekkig taalgebruik: noch goed, noch slecht bestaan in absolute zin, dat wil zeggen: in de context van het Ene. Alles is goed omdat het zo is en onder geen enkele voorwaarde anders zou kunnen zijn. Dat 'voelt' voor mensen als goed, als 'zo hoort het' - er is eenvoudigweg geen alternatief. De dingen doen zichzelf, en er is niets of niemand die daar ook maar iets aan kan veranderen. Daarom is alles wat zich voordoet 'goed', d.w.z. onvermijdelijk of volgens 'de natuur der dingen' - mooi weer en zachtmoedigheid evenzeer als oorlog en menselijk leed. Het is allemaal de onvermijdelijke uitdrukking van het Ene. Alles mag er zijn aangezien het zich voordoet.
 
De hemel is volgelopen met witte wolken die als eilanden verspreid liggen in een eindeloze zee. Alles wat er is, is Dit: een levende aanwezigheid in de vorm van een blauwe hemel vol witte wolken en vogels die nietsvermoedend hun lied zingen, dwars door elkaar, zonder elkaars gemoedsrust ook maar in de geringste mate te verstoren. Niets verstoort deze aanwezigheid, ook niet de gedachte aan mogelijke verstoringen. Ik Ben is aanwezigheid zonder identiteit, zonder schuld, zonder meer.
Alle aanwezigheid is onschuldig. Geen enkele boom of plant heeft besloten boom of plant te zijn, of probeert het te zijn. Geen levend wezen heeft een doel. Geen wortel is tevreden of ontevreden over het feit dat alleen zijn boom-zijn zichtbaar is. Er is in het geheel geen probleem, en als de boom morgen in een storm wordt omgeblazen, is er nog steeds geen probleem. Een probleem is een gedachte aan de toekomst. Zolang niet gezien wordt dat alles zich spontaan voordoet en de hele ruimte vult, en dat er nooit een vacuum is in die ruimte, zullen zich ogenschijnlijk problemen blijven aandienen. Iets anders dan ‘wat nu is’, is niets anders dan een gedachte aan iets anders dan ‘wat nu is’. En als die gedachte zich voordoet, is hij zelf ‘wat nu is’.
Boombladeren en grashalmen knikken ‘ja’ in de wind. Ze zeggen nooit ‘nee’. De haan kraait nog steeds met tussenpozen. Zijn roep heeft geen betekenis, behoeft geen verhaal. Alles voegt zich naar alles. Niets gaat ooit verkeerd, al zegt het denken van wel. Alles verdwijnt in het oog in de orkaan, voorgoed. ‘Cloud-hidden, whereabouts unknown’.