De aard er werkelijkheid

De aanname van de werkelijkheid als een objectief gegeven
 
Gewoonlijk nemen we, zonder daar verder ooit over na te denken, aan dat er een objectieve werkelijkheid buiten onszelf bestaat. Deze aanname impliceert dat er een wereld bestaat die losstaat van onszelf als waarnemer ervan, en onafhanelijk is van het feit of ze waargenomen wordt of niet. Maar hoe graag we het ook zouden willen, de waarheid van die aanname kan nooit bewezen worden. Want al onze waarnemingen vinden plaats in ons bewustzijn. Al onze waarnemingen zijn zonder enige uitzondering niet meer dan mentale impressies.Ook de waarneming van een externe werkelijkheid in welke vorm dan ook kan dus nooit iets anders zijn dan een mentale impressie. Toch nemen we het bestaan van een externe werkelijkheid gewoonlijk als vanzelfsprekend aan zonder er
verder stil bij te staan.


Naast het bestaan van een externe werkelijkheid nemen we tevens aan dat die werkelijkheid objectief van aard is. Dit houdt in dat we er vanuit gaan dat observaties, experimenten en metingen ten aanzien van de externe werkelijkheid door verschillende mensen gedaan kunnen worden en toch tot dezelfde meetresultaten kunnen leiden. Iemand die een bepaald aspect van de werkelijkheid observeert, kan tot de constatering komen dat zijn observatie overeenkomt met die van een ander die hetzelfde aspect heeft geobserveerd. Dit betekent dat communicatie essentieel is voor objectiviteit. Een observatie die niet gecommuniceerd wordt en waarover geen eensgezindheid bestaat wordt in het algemeen niet beschouwd als een valide observatie van de objectieve werkelijkheid. Omdat overeenstemming een sine qua non in deze is, wordt de objectieve werkelijkheid ook wel beschouwd als een consensuswerkelijkheid.
Maar wat kan er gezegd worden over iemand die zijn of haar eigen gedachten of andere mentale indrukken observeert? In dat geval is de geobserveerde werkelijkheid duidelijk niet extern, maar kan ze wel nog steeds gecommuniceerd worden, en vergeleken worden met vergelijkbare interne observaties van anderen. Als er vervolgens sprake is van overeenstemming, beschouwen we zulke observaties toch als objectief. We kunnen bijvoorbeeld de mentale stappen die we nemen bij het oplossen van een wiskundig probleem met elkaar vergelijken, of zelfs onze ervaringen van angst of rood, mits het reacties zijn op dezelfde externe stimuli. Als we het erover eens zijn dat we hetzelfde zien of voelen, definiëren we die mentale processen als objectief (maar niet extern).
Een derde categorie observaties is die van de zuiver subjectieve ervaringen, dat wil zeggen: ervaringen die volledig intern zijn en dus niet het gevolg van een externe stimulus. Te denken valt hierbij aan gedachten, herinneringen, gevoelens, emoties, fantasieën, dromen en visioenen. Ondanks het feit dat ze zuiver subjectief zijn, kunnen we ze eenvoudig communiceren naar anderen. Dat maakt dat we ze toch als min of meer objectief beschouwen, gebaseerd op de gemeenschappelijke ervaring van vrijwel alle mensen.
Een vierde categorie bestaat uit ervaringen die zuiver subjectief zijn, maar niet tot de ‘normale’, gemeenschappelijke ervaring van vrijwel alle mensen behoren. Deze worden wel als zuiver subjectief beschouwd, want ze kunnen heel moeilijk aan anderen gecommuniceerd worden, missen een externe stimulus en zijn niet objectief te noemen. Voorbeelden hiervan zijn hallucinaties, wanen, religieuze ervaringen, en de ervaringen van verlichting of ‘ontwaken’.
De vraag die zich hier opdringt is de volgende: is het mentale aspect van ons bestaan actief als we het niet observeren? Kunnen we daar zeker van zijn? In onze dagelijkse ervaring blijkt dat we soms onbewust of onderbewust bezig zijn met de oplossing van een probleem. De oplossing dient zich dan op een later tijdstip aan, vaak in de vorm van een ‘flits van inzicht’. Dit suggereert dat onze geest een reëel object is dat buiten ons gewaarzijn ervan bestaat, en dus in objectieve zin werkelijk is. Maar omdat de onbewuste geest nooit rechtstreeks kan worden waargenomen, kan zijn bestaan slechts aangenomen worden.
Uit dit alles kan een voorlopige conclusie worden getrokken, namelijk dat al onze ervaringen noodzakelijkerwijs subjectief van aard zijn, en dat we daarom geen toegang hebben tot welke objectieve werkelijkheid dan ook, mocht die al bestaan. Een objectieve werkelijkheid kan zich onmogelijk via welke observatie dan ook kenbaar maken. Het bestaan van een objectieve werkelijkheid kan daarom nooit bewezen of ontkend worden. Dat wat objectieve werkelijkheid genoemd wordt, kan in feite noch objectief, noch werkelijk genoemd worden. En een objectieve werkelijkheid als aanname die onmogelijk bewezen kan worden, is derhalve niets meer of minder dan een metafysische aanname of axioma.
 
 
Drie theorieën omtrent de aard der werkelijkheid
 
  1. Materialisme.
Het materialisme gaat uit van zuivere objectiviteit, en postuleert dat alles bestaat uit materie, of op zijn minst aan materiële wetten onderhevig is. Deze filosofie ontstond al in de oudheid, toen de Griek Democritus (460 – 370 voor Chr.) stelde dat de wereld volledig bestaat uit concrete maar onzichtbare deeltjes, die hij ‘atomen’ noemde. Later werd die stelling uitgewerkt tot de theorie van het materialisme. Het fundamentele principe van deze theorie is dat materie en energie primair zijn. Alle andere verschijnselen zijn secundair, want afgeleiden van materie en energie. Door de komst van de quantumtheorie in de jaren ’20 van de vorige eeuw, die nieuwe, fundamentele vragen over de aard van materie en energie stelde, is de filosofie van het materialisme verbreed in die zin dat vanaf dat moment natuurkundige wetmatigheden als primair worden beschouwd. Het oorspronkelijke materialisme is om die reden inmiddels omgedoopt tot wetenschappelijk materialsme.
 
  1. Cartesiaans dualisme
Deze filosofie werd voor het eerst in 1641 door René Descartes geformuleerd, en stelt dat geest en materie twee gescheiden en onafhankelijke entiteiten zijn. Geest (het subjective aspect van de werkelijkheid) en materie (het objectieve aspect ervan) worden hierbij gezien als primair en onherleidbaar.
Mensen (maar niet dieren) bestaan volgens Descartes uit beide componenten. De geest is een bewuste, denkende entiteit die in staat is tot begrijpen, willen, aanvoelen en fantaseren. De geest heeft geen fysieke omvang en bevindt zich daarom niet in de fysieke ruimte. Hij is ondeelbaar. Het lichaam bezit wel een fysieke omvang en bevindt zich daarom wel in de fysieke ruimte. Het is oneindig deelbaar.
Descartes wilde zich aanvankelijk beperken tot stellingen die onbetwistbaar waren; vandaar zijn beroemde stelling “Ik denk, dus ik ben”. Het ‘ik’ in deze bewering is de geest, en omdat die zich niet in de fysieke ruimte bevindt is hij in principe in staat om de dood van het fysieke lichaam te overleven. Dit komt veel meer tegemoet aan onze intuïtie van de werkelijkheid dan het materialisme. Het uitgangspunt ‘Ik ben een lichaam’ maakt ons veel kwetsbaarder dan het uitgangspunt ‘Ik heb een lichaam’, en veel mensen twijfelen er niet aan dat ze de dood van het fysieke lichaam zullen overleven.
 
  1. Idealisme
De filosofie van het idealisme stelt dat bewustzijn de fundamentele werkelijkheid vertegenwoordigt, en daarom primair is. Zuivere subjectiviteit is hier het uitgangspunt: de geest is alles, en alles is geest. Plato wordt algemeen beschouwd als de eerste idealistische filosoof, vooral op basis van zijn metafysische doctrine der Vormen. Plato beschouwde het universele Idee of de universele Vorm (ook wel archetype genoemd – bijvoorbeeld roodheid of goedheid) als werkelijker dan een specifieke expressie van de vorm, zoals een rood voorwerp of een goede daad. Volgens Plato is de wereld der veranderende verschijnselen onwerkelijk, en vormt het Idee of de Vorm (die onveranderlijk is en alleen middels de rede te kennen valt) de werkelijkheid.
Later was de Britse filosoof George Bentley (1685 – 1753) een belangrijke exponent van het idealisme. Hij ontkende het bestaan van materiële substanties, en noemde zijn filosofie daarom ook de leer van het immaterialisme. Hij stelde dat het universum bestaat uit God, de oneindige geest; uit eindige geesten, waaronder de mens; en uit ideeën die hun bestaan vinden in deze geesten.
Niet veel later formuleerde Immanuel Kant een vorm van idealisme die hij ‘transcendentaal idealisme’ noemde. Hij geloofde dat er een werkelijkheid bestaat die onafhankelijk is van de menselijke geest - het noumenon, ofwel ‘ding op zichzelf’ – en die onkenbaar is. Onze hele ervaring, inclusief de ervaring van ons empirische zelf – het phenomenon, ofwel ‘ding zoals het zich voordoet’ – is afhankelijk van de activiteit van een transcendentaal zelf, waar we eveneens niets over kunnen weten. Op deze ideeën baseerde Hegel uiteindelijk zijn systeem van het absolute idealisme, waarbij de Geest het primaire universele principe is, en de individuele geest slechts een deelaspect daarvan.
Een speciale vorm van idealisme die voor het verdere betoog van belang is wordt monistisch idealisme genoemd. Het uitgangspunt in deze filosofie is dat uitsluitend en alleen Bewustzijn als fundamenteel en primair te beschouwen is. Alles, inclusief materie en geest, bestaat uitsluitend binnen, en maakt als zodanig deel uit van, Bewustzijn. Materie is in deze context een verschijningsvorm, of epiphenomenon, van Bewustzijn, in plaats van andersom, zoals bij het materialisme het geval is. Bewustzijn zelf is Gewaarzijn (noumenon), net als alle objecten van Gewaarzijn (phenomenon). Ontdaan van alle persoonlijke aspecten is het monistische idealisme uiterst kort en bondig te omschrijven als ‘Ik ben Bewustzijn’.
Dit impliceert dat je binnen in jezelf moet kijken om te weten te komen wat Gewaarzijn eigenlijk is. Ik als Gewaarzijn ben geen object, en dus kan ik niet beschreven of waargenomen worden als object. Mijn ware aard kan alleen beseft worden door voorbij het conceptuele en het perceptuele te kijken.
 
 
Advaita of non-dualiteit
 
Tot dusverre hebben we een aantal metafysische filosofieën besproken zonder te definiëren wat daaronder verstaan kan worden. Een metafysische filosofie is een zuiver conceptuele constructie die een logische, zelfconsistente beschrijving beoogt te zijn van één of meerdere aspecten van de werkelijkheid. Zo’n filosofie beschrijft echter niet noodzakelijkerwijs technieken om die werkelijkheid te ervaren. Een filosofie verschilt in dat opzicht van een leer. Het doel van een leer is om een student of leerling te helpen de werkelijkheid te leren kennen, of die nu in essentie fenomenaal of noumenaal is. Omdat de nadruk hierbij ligt op het verwerven van inzicht, op welke manier dan ook, en niet op logica, kan een leer gebruik maken van alle concepten en technieken die kunnen leiden tot het gewenste inzicht bij de leerling. Een leer baseert zich vaak op filosofie, maar hoeft zich daar beslist niet toe te beperken.
De hierboven beschreven metafysische filosofieën werden alle geformuleerd door westerse filosofen, die zich vrijwel uitsluitend baseerden op het rationele denken. Hun op rationele basis uitgewerkte gedachtengangen ontleenden zelden ideeën aan de Oosterse filosofie, niet in het minst omdat deze zich voornamelijk baseert op de mystieke ervaring. De leer van de non-dualiteit (in het Sanskrit ‘Advaita’ – ‘niet-twee’ - genoemd), die in zijn kern veel elementen van het monistisch idealisme bevat, baseert zich echter wel op de onmiddellijke ervaring in zijn mystieke aspect.
Non-dualiteit werd als coherente leer voor het eerst geformuleerd door Shankara (c. 780 – 820), een filosoof en theoloog uit de provincie Kerala in Zuid-India. Hij interpreteerde de klassieke filosofische geschriften van India in het licht van het monisme, en schreef alleen werkelijkheid toe aan een onverdeelde Eenheid die hij omschreef als Brahman. Alle pluraliteit en differentiatie werden door hem beschreven als illusie.
Non-dualiteit is te beschouwen als een leer en geen filosofie, omdat het de geest probeert te verwijzen naar het niet-conceptuele aspect van het bestaan, en het conceptuele aspect ervan als illusoir beschouwt. Want Bewustzijn valt niet te beschrijven – het dient rechtstreeks gekend te worden zonder tussenkomst van concepten. Ondanks het feit dat non-dualiteit als leer gebruik maakt van concepten, probeert het met die concepten slechts aan te duiden dat bewustzijn alles is wat er is. Een bekende non-dualistische leraar uit de vorige eeuw, de evenals Shankara uit Zuid-India afkomstige Sri Ramana Maharshi, gebruikte in dit verband vaak de metafoor van de doorn die gebruikt wordt om een doorn die in de voetzool is gedrongen te verwijderen. Is die doorn eenmaal verwijderd, dan worden beide doornen weggegooid en vergeten.
Paradoxaal genoeg is de leer der non-dualiteit of Advaita ‘wetenschappelijker’ te noemen dan onze gebruikelijke materialistische premisse van een objectieve, externe wereld, want ze baseert zich op de onmiddellijke, rechtstreekse ervaring van ons bewustzijn, in plaats van op een metafysisch concept. Het concept van een externe wereld is niet primair, maar slechts een mentale constructie gebaseerd op zintuigimpressies, en dient daarom net als alle concepten mentaal geïncorpereerd te worden, terwijl de zelfevidente ervaring van het bewustzijn preconceptueel is en niet ontkend kan worden.
 
 
Nondualiteit als verwijzing naar de onmiddellijke ervaring
 
De leer van de non-dualiteit leert ons, kort samengevat, dat de werkelijkheid niet is:
-          wat je verteld is dat ze is
-          wat je denkt dat ze is
-          wat je gelooft dat ze is
-          wat je wilt dat ze is
-          wat je denkt dat ze zou behoren te zijn
Via de methode van het neti – neti (noch dit, noch dat) heeft de klassieke Advaita getracht het ongrijpbare van de onmiddellijke, rechtstreekse ervaring onder woorden te brengen. In een meer westerse context wordt echter toch vaak de vraag gesteld: als het dat allemaal niet is, wat is het dan wel?
Wat in elk geval vastgesteld kan worden is dat het alleen rechtstreeks ervaren kan worden, en geen optel- of aftreksom is van ideeën, redeneringen en conclusies. Alles wat je kunt denken, fantaseren of zeggen over dat wat je bent, is het in elk geval niet, want dat is een concept, een (steeds terugkerende) gedachte binnen dat wat je bent – het Geheel van alle ervaringen. Ieder concept, ieder denkbeeld is per definitie een beperking, een verdeling van dat Geheel, terwijl het in werkelijkheid onbeperkt en ondeelbaar is.
 
 
Non-dualiteit verwijst naar de ervaring van leegte of ego-loosheid. Die houdt in dat er in feite nooit een verschil te maken is tussen jezelf en de wereld der verschijnselen. Elk onderscheid daartussen is fictief. In werkelijkheid bestaat er alleen maar Bewustzijn. Dat verschijnselen een bestaan op zichzelf zouden hebben, wordt gezien als een fundamentele illusie. Daarbij is het van groot belang te zien dat niet de verschijnselen zelf de illusie vormen, maar het idee dat ze permanentie bezitten.

Dit basisinzicht is geen kwestie van weten of kennen. Het gaat voorbij aan alle vormen van kennis. Non-dualiteit kan eerder beschouwd worden als een uitnodiging om in je eigen onmiddellijke ervaring te kijken of de werkelijkheid ondeelbaar Eén is - dus om te zien dat vorm leegte is, en leegte niets anders dan vorm. Wat hiermee bedoeld wordt is dat alle verschijnselen (vormen) die gekend kunnen worden leeg zijn, omdat ze uitsluitend bestaan uit het Kennen zelf, ofwel Bewustzijn. Wat niet verandert, het Kennen der dingen, Bewustzijn, is de enige constante in ieders bestaan. Die constante Aanwezigheid (als dat wat zich nu voordoet) is daarom het enige wat werkelijk te noemen is. Binnen de klassieke Advaitaleer wordt dit principe omschreven als Tat Tvam Asi: Dat is wat je Bent.
Alle verschijnselen bestaan dus uitsluitend als het proces van het Kennen zelf, en niet als los van Bewustzijn bestaande objecten. Verschijnselen zijn vormen van Bewustzijn. Het zelfstandig bestaan en de permanentie van een verschijnsel of object is daarmee niet meer dan een idee, een concept. Dit geldt ook voor het verschijnsel ‘ik’. ‘Ik’ is geen losstaande, afgescheiden entiteit die zich temidden van andere losse entiteiten moet zien te handhaven Je staat niet los van alles wat zich aan je voordoet. In tegendeel: wat zich voordoet is de vorm die jij, het Geheel, op dat moment aanneemt. Er kan geen onderscheid gemaakt worden tussen jou en de Werkelijkheid als Geheel - ze zijn identiek.
 
Binnen de meer eigentijdse varianten van de leer van de non-dualiteit is de nadruk steeds meer komen te liggen op het basisuitgangspunt in ieders bestaan: ik ben of ik besta. Aan dit uitgangspunt kan niet getwijfeld worden, want om er aan te kunnen twijfelen, moet je al bestaan
Dit ‘er zijn’ kan Bewustzijn-op-zich genoemd worden, of Leegte. Het heeft geen eigenschappen of kenmerken. Het is pure potentie, zuivere mogelijkheid waarin alles kan verschijnen. Het is (nog) niet ingevuld. Het staat buiten de tijd en is dus niet onderhevig aan verandering. Dat wat je bent kent geen begin of eind. In werkelijkheid ben je nooit geboren en zul je nooit sterven. Je gaat nooit ergens heen: de dingen gaan door jou heen.
Bewustzijn is geen object, is niet ‘iets’. Het is datgene waar alles wat een begin en een eind heeft uit voortkomt en weer in verdwijnt, zonder dat het er zelf in welke zin ook door verandert. In die zin is Bewustzijn te vergelijken met de ruimte, die niet verandert als je er iets inzet en het daarna weer weghaalt, en met de spiegel, die niet verandert als er iets in weerspiegeld wordt.
Bewustzijn is dus geen object, maar de ‘ruimte’ waarin alle objecten verschijnen. Het kan daarom niet waargenomen of gekend worden (want dan zou het alsnog een object zijn). Het is vergelijkbaar met het oog, dat alles kan zien behalve zichzelf , of met de vinger, die alles kan aanraken behalve zichzelf.
Omdat Bewustzijn niet waargenomen kan worden, kijken we er overheen, terwijl het het centrale gegeven in ons bestaan is. Je kunt Bewustzijn niet zien, je kunt het alleen maar zijn - jouw ‘er zijn’ is het ‘er zijn’ van alle dingen, de voorwaarde en grondslag voor alles wat zich voordoet.
 
Non-dualiteit beschouwt Bewustzijn als de enige realiteit, maar erkent wel de mogelijkheid van Bewustzijn om vorm aan te nemen. Bewustzijn wordt ervaren als een opeenvolging van vluchtige, tijdelijke vormen. Tijdens de waaktoestand wordt het ervaren als alles wat je ziet, hoort, voelt, proeft, ruikt en denkt; tijdens de droom als alles wat zich in de droom voordoet. Tijdens de diepe slaap of bewusteloosheid neemt Bewustzijn geen vorm aan. Vandaar dat je daar geen concrete herinnering aan hebt: je hebt dan immers niets waargenomen of meegemaakt.
Het herkennen dat Bewustzijn de enige realiteit is, want het enige wat permanent is, is het herkennen van je ware natuur. Dit herkennen van wat je bent onthult je natuurlijke staat, je eigen ‘er zijn’ zonder enige verdere invulling, dat nooit afwezig is geweest. Het is in essentie een niet-weten, een onbegrensd openstaan voor alles. Naar deze openheid en welwillendheid wordt vaak, bijvoorbeeld binnen het Christendom, verwezen door middel van het woord liefde.
Non-dualiteit verwijst naar de directe ervaring van het feit dat wat je bent niet begrepen kan worden, en ook niet begrepen hoeft te worden. In essentie heeft niemand een identiteit, weet niemand wie hij is, en juist dat geeft een grote vrijheid en ontspanning. Helderheid, inzicht wordt gecreëerd door het loslaten van alle concepten, alle verhalen die aan verschijnselen en gebeurtenissen vastzitten. Alles wordt dan ervaren zonder verleden, onbesmet, als altijd schoon en nieuw. Dat is, in essentie, wat bedoeld wordt met de mystieke ervaring – een ervaring waar binnen de westerse filosofie erg weinig aandacht aan is besteed, maar die wel in zijn conceptloosheid de kern van iedere ervaren werkelijkheid in zich draagt.