Fragment uit het nieuwe boek Looking Through God's Eyes, dat komend voorjaar zal verschijnen bij New Sarum Press.


I have to admit I don’t know what life really is. What I do know is that it’s not mine and that it’s immeasurably precious, not in the least because it’s doomed to collapse one day.

Of course I already knew this, but one day I really saw it with my own eyes. My wife and I were visiting an exhibition of the fifty most important works of modern art our country has produced since the Second World War. Most of them were conceptual art. There was a wall of clay objects, ranging from puppy dogs to masks and caskets. There was a collection of plastic pigs in earthly colours, all sitting down and looking in the same direction. In a transparent cube was a rectangular piece of beech wood, painted white, lying on a red velvet cushion. In the accompanying text it was explained that the artist had been inspired by the Chinese painters of laquerware in ancient times, who painted their objects in the purest air, somewhere in the middle of the sea, to keep their paintwork as smooth as possible. Similarly, the artist had gone all the way to the Arctic to paint the piece of wood white with ordinary household paint in the pure air of Greenland. All I saw was a white piece of wood, but the story behind it was supposed to make it more important and meaningful, just like all stories we tell each other try to provide our lives with more importance and make them more meaningful.

At the end of the day, wandering from one room to the next, I entered one where a video was playing. There was a small bench in front of a large film screen where one could watch the movie. From the moment I sat down and watched it, I was struck by awe and a strong, nauseating feeling in the pit of my stomach. The video showed a man walking right in front of an enormous icebreaker. The man seemed to be at ease, walking in a relaxed way in front of this huge ship running through thick ice, breaking it into large shards. The sound it was making was frightening. The man kept walking in front of the ship for ten minutes, appearing on the ice as a tiny figure walking up to the viewer until he was clearly recognizable.

Leaving the room I wondered what it was that had struck me to the deepest core of my being. The image of the man on the ice seemed to capture something which was essential to me, in fact to all of us, and which made it so powerful. The artist, Guido van der Werve, initially started out as a performance artist, but unwilling to perform live and more than once, he began to document his performances. Developing this practice, he quickly got interested in film and cinematography, where he found a similar emotional directness as in music. His works are characterized by long meditative shots and a refusal to work with actors. During his career he has made a whole series of videos, starting with nr. 2. In one of them, nr. 16, he is swimming up a severely polluted river. In nr. 24 he is standing on a an enormous sheet of ice. The length of the video is some fifteen minutes, but in reality he spent 24 hours on the same spot, hardly protected against the wind and the cold. For the film ‘nr. 14’, van der Werve completed a 1000 mile triathlon from Warsaw, where the heart of Chopin has had its home, to Paris, where the body of the composer was buried.

The icebreaker video is called ‘nr. 8’. It was filmed in the Gulf of Bothnia, somewhere between the coasts of Finland and Sweden. During the shoot, van der Werve felt the ice shaking under his feet as it was crushed to pieces right behind him. Watching the video, you would like to warn him for the immanent danger. In the artist’s own view, the film tries to express, through the beauty and poetry of the image, infinity and the instability of the world. But in my view, the film does far more than that. It shows the whole ‘condition humaine’ to us in one penetrating image. We’re all walking slowly into an imaginative, featureless future, only caring for what’s in front of us, ignoring the presence of death, which is always right behind us. The ice under our feet can break any moment, drowning us in frigid waters.

Of course, the image also reminded me of my own plight in July of 2017, when the ice suddenly cracked and I fell into the water. Through an almost impossible chain of events, which others often call ‘sheer luck’, I got dregged out of the water at the last possible moment, just before the ship would have crushed me to pieces.

But then again, it’s also an image of my life after I was saved. I’m quietly walking on, not looking behind me at the calamity that’s happened, nor at the uninterrupted presence of death, still lurking behind my back, close as ever. It’s the only sensible thing to do, for me and for all of us. We can only keep on walking, enjoying it while we’re doing it. Anxiety nor hurry can help us, or save us for that matter.

So this is what I decided to do with my life until I’ll finally fall into the icy sea. Luckily there’s no bare waste of ice and snow in front of me, but a beautiful, rich, fascinating and incomprehensible earth full of small and big miracles. The greatest miracle of all, though, is being alive; being alive as everything, and being aware of that. I’ll walk the rest of the way in thankfulness, paying attention to all my senses, looking through God’s eyes in utter amazement.




Hieronder twee fragmenten uit Zen en de kunst van het kijken, verschenen in 2018 bij uitgeverij Samsara


DE KUNST VAN HET KIJKEN

Zonder dat we er ooit bij stilstaan accepteren de meesten onder ons klakkeloos het wereldbeeld dat ons door de wetenschap in de loop der tijd is opgedrongen. Dat wereldbeeld verklaart het universum en alle verschijnselen die zich er in voordoen als een samenspel van materie (dingen) en mechanische krachten. Het reduceert onze subjectieve beleving net als al het andere tot een objectief waarneembaar verschijnsel, een reeks door de zintuigen in gang gezette gebeurtenissen op microniveau die weer andere gebeurtenissen in de hersenen in gang zetten die uiteindelijk uitmonden in gedachten, gevoelens en gewaarwordingen. De hersenen maken op hun beurt weer onderdeel uit van het lichaam, en het lichaam van de aarde, die als een minuscuul bolletje in een vrijwel oneindig heelal vol andere bollen, bolletjes en stralen ronddraait. Zoals volgens ons materialistische wereldbeeld bijna alles te beschrijven valt met behulp van cirkels, zo wordt ook onze eigen plaats in het universum volgens een cirkelredenering beschreven.

Maar ergens hebben we van kinds af aan het gevoel dat er aan dat verhaal iets ontbreekt. Ons bestaan voelt ‘van binnenuit’ zo anders aan dan de wetenschap ons vertelt – grootser, heftiger, voller, allesomvattender. Maar we zwijgen daarover, bang om uitgelachen te worden om een subjectieve beleving van onszelf die door onze rationele medemens al eeuwen als achterhaald wordt beschouwd.

Toch is onze beleving, ondanks de kleinerende manier waarop er over gesproken wordt, ons primaire gegeven. Als we puur afgaan op wat zich in en aan ons aandient, is ons bestaan geen mechanisch krachtenspel, maar een groots en onophoudelijk voelen, denken en bewegen. Onze beleving is wat alles levend maakt. Het is leven, het leven zelf. Het maakt alles even groot, even klein, even mooi, even lelijk, even echt. Alles dient zich aan als een onontkoombaar gegeven op het moment dat het zich aandient, en is daardoor een manifestatie van het ene leven dat altijd beleefd wordt – een steen evenzeer als een mens. Zowel steen als mens bevatten het hele universum, want in iedere beleving dient dat universum zich in zijn geheel aan als het leven zelf.

Dat kan gezien worden, niet met behulp van onze ogen of hersenen, maar met ons hele wezen. Het is een intuïtief zien met behulp van wat in veel culturen het derde oog genoemd wordt. In klassieke Boeddhabeelden ligt dat oog op het voorhoofd, tussen de wenkbrauwen, als het ene boeddha-oog dat de relatieve blik van de twee ogen eronder overstijgt. Het ziet de dingen in het enige ware perspectief. Het is het oog waarmee we schoonheid zien zonder het te contrasteren met lelijkheid.

Kan dat? Is schoonheid niet gelegen in wat aanschouwd wordt, of anders wel in het oog van de aanschouwer? Het antwoord dat het christendom ons geeft is dat schoonheid iets goddelijks is, een eigenschap van God die slechts vaag in een beeld kan worden weergegeven en nog vager door de mens wordt waargenomen. Het boeddhistische antwoord is dat schoonheid zich bevindt in het oog van de aanschouwer, in zijn geest. Maar in zen weerspreekt men beide antwoorden door te zeggen dat schoonheid uitsluitend en alleen kan bestaan als het onderscheid tussen de aanschouwer en het aanschouwde wegvalt, tussen subject en object. Dan zien de dingen zichzelf en ervaren ze schoonheid.

Ik zag die schoonheid op een dag bijna tien jaar geleden, toen ik in het Centre Pompidou in Parijs tegen een schilderij van Mark Rothko aanliep. Bijna letterlijk, want het hing stilletjes tussen het werk van andere kunstenaars. Plotseling stond ik er met mijn neus bovenop. Wat er toen gebeurde was totaal onverwacht en onbegrijpelijk: ik werd met stomheid geslagen, en na verloop van tijd liepen de tranen over mijn wangen en werd ik bevangen door een onbenoembaar gevoel dat mijn hele wezen raakte. Eenmaal weer ‘terug op aarde’ drong de vraag zich aan me op waar ik dan precies om gehuild had. Was het om niets dan kleur? Was het vanwege het onbevattelijke van wat ik zag, of was ik plotseling als kijker in het geziene verdwenen?

Rothko zelf vertelde ooit dat hij zichzelf in zijn werk tot doel stelde om de ‘ruimte’ van het schilderij en de ‘ruimte’ van de toeschouwer in elkaar over te laten vloeien. Die nieuwe ruimte wordt dan gevuld met gedachteloos wachten, ontvankelijk zijn. De tijd verdwijnt in zichzelf en je wordt, zoals de Deense filosoof Kierkegaard ooit zei, “ouder dan het moment.” Dat is de ontmoeting met je essentie als Leegte. Meester Eckhart, waar Rothko een groot bewonderaar van was, verwoordde het zo: “Je dient een lege tempel tot je beschikking te hebben, zodat de Heer er kan binnentreden.”

Ook in Japan probeert men je al eeuwenlang door de schoonheid van gelijkmatig aangeharkte golven van steentjes of zand en boompjes die als een waaier op een dunne stam staan naar de waarheid te brengen. Men weet ook daar dat de essentie van ons bestaan zich in iets stoffelijks kan openbaren, of in beelden of geluiden. Het bekendste voorbeeld is misschien wel dat van de zen monnik Kyogen. Op een dag zei zijn leermeester Isan tegen hem: ‘Ik vraag je niets over de dingen die je in boeken heb gelezen. Voordat je uit de buik van je moeder kwam, voordat je dit van dat kon onderscheiden … zeg op: je ware zelf, wat is dat?’ Aanvankelijk wist Kyogen niets te zeggen, maar even later begon hij met veel omhaal van woorden zijn kijk op de zaak uit de doeken te doen. Isan wilde echter niet naar hem luisteren. Uiteindelijk zei Kyogen: ‘Leg het me dan alstublieft uit!’ Isan antwoordde: ‘Mijn uitleg zou alleen maar aangeven wat ikzelf begrepen heb. Wat heb jij daaraan?’ Kyogen ging terug naar zijn kamer en ging in zijn boeken op zoek naar een tekst die als antwoord zou kunnen dienen, maar hij kon niets bruikbaars vinden. Vertwijfeld zei hij toen tegen zichzelf: ‘Je kunt een lege maag niet vullen met een plaatje van een maaltijd’. Hij verbrandde al zijn boeken en trok de conclusie dat hij nooit van zijn leven de waarheid zou vinden. Huilend vertrok hij naar een ander klooster, waar hij als tuinman aan de slag ging. Op een dag stond hij een pad te vegen toen hij een kiezelsteentje tegen een bamboestengel hoorde kaatsen. Hij slaakte een vreugdekreet, want plotseling zag hij wat zijn ware zelf was. Hij keerde terug naar zijn oude klooster en zei daar tegen Isan: ‘Ik ben zo dankbaar, meester, dat ik thuis ben gekomen. Als u mij indertijd uitleg had gegeven, had ik het nooit van mijn leven begrepen!’

Door het geluid van een steentje of, toch, het woord van een meester kan plotseling het derde oog opengaan en zien de dingen zichzelf zoals ze werkelijk zijn, dat wil zeggen, zonder dat er iemand is die ziet. De tuinman valt in een Leegte waar niets meer is om je aan vast te klampen. Hij buigt zijn hoofd voor wat goed noch slecht is, waar noch onwaar, en loopt vrij en ongebonden de wereld in, want hij weet nu dat er niets te weten valt. Onderweg ziet hij narcissen dansen, voelt hij de hemel huilen, hoort hij stenen roepen en ervaart hij de schoonheid van een mol, die hem meer raakt dan die van een vlinder omdat de schoonheid van een mol zo zelden tot zijn recht komt. Maar als hij op een ochtend door de dauw in een veld loopt en de kop van een mol uit de grond omhoog ziet komen, ziet hij de oeroude schoonheid van dat dier, van het bestaan zelf. Zo zwerft hij door het leven en schrijft hij, liggend onder een stralend blauwe zomerhemel:

Mijn ware zelf,

ja, wat is het?

Het is het geluid van de wind

die door de bomen waait

in de inkttekening.

Dat is wat hij geleerd heeft, en wat hij wil zeggen: de kunst van het kijken is de kunst van het zien.



EEN ZWERM GANZEN EN ZEVENTIEN KRAANVOGELS

Verspreid over het terrein van het instituut waar ik lange tijd heb gewerkt staan tientallen inheemse en uitheemse bomen, waarvan ik een deel vanuit mijn werkkamer kon zien. Toen ik er nog werkte had ik er nauwelijks oog voor, behalve in het voorjaar. Dan kwam de enorme magnolia die vlakbij mijn raam stond in bloei te staan. De bloemen waren roze en wit en net zo gigantisch als de boom zelf. Ze hingen tot aan de grond en vulden mijn hele blikveld. Ze vertelden me dat de zon defintief gearriveerd was om zich pas maanden later weer terug te trekken achter regenwolken en mistsluiers.

Veel meer van de bomenpracht op dat terrein drong er in de tijd dat ik er werkte niet tot me door. Mijn hoofd was met andere dingen bezig. Ik zag slechts een verzameling gebouwen waarin ik geacht werd een merkbare bijdrage te leveren aan het geestelijk welbevinden van mensen die op dat gebied ernstig tekort kwamen. Ik zag blinden met hun taststokken over het terrein lopen, zag mensen in hun rolstoel of scootmobiel moeizaam de heuvel op rijden, en stoorde me aan collega’s die buiten stonden te kletsen en het niet zo nauw namen met de bijdrage die zij geacht werden te leveren. Ik zag de directrice uit haar dure auto stappen, op weg naar weer een vergadering die ze ging gebruiken om haar positie te versterken. Ik zag, kortom, de wereld waarin ik dacht te leven. Wat me ontging was de wereld waarin die mensenwereld haar krankzinnige rondjes draait. Waar ik langskeek was de groene wereld van planten en bomen die ons draagt en voedt. Ik vergat, net als de rest van de mensen die het geluk hadden om op zo’n prachtige plek te mogen werken, dat we zonder die planten en bomen reddeloos verloren zouden zijn en binnen de kortste keren zouden omkomen van de honger en zouden stikken door gebrek aan zuurstof.

Het draaien van al die krankzinnige rondjes is me uiteindelijk niet in de koude kleren gaan zitten. Mijn hart begaf het zonder dat ik of iemand anders dat aan had zien komen. Na vier dagen ontwaakte ik uit een coma, en in de dagen daarna begon het langzaam maar zeker tot me door te dringen dat er iets heel erg fout was gegaan. Wat ik eveneens besefte was dat ik een tweede kans kreeg. Ik besloot toen en daar om de extra tijd die me gegeven werd te benutten om nu eens echt om me heen te kijken, me te verwonderen over alle grote en kleine dingen die tot nu toe altijd buiten mijn blikveld waren gebleven, en de wereld van doelmatigheid en productiviteit zo veel mogelijk achter me te laten. Ik besloot mijn blik langer op de dingen te laten rusten en mijn ogen net zo lang te laten smeulen tot mijn lippen zich zouden krullen tot een glimlach.

Toen ik maanden later een voormalige collega ging opzoeken en ik weer eens over het terrein van mijn vroegere werkgever liep, keek ik er inmiddels met heel andere ogen naar. De rolstoelen en taststokken leken in rook te zijn opgegaan. Ik groette hier en daar iemand waar ik lang mee gewerkt had, maar het zei me niet veel meer. Mijn hart ging uit naar andere dingen, andere wezens wier bestaan ik altijd genegeerd had.

Ik werd begroet door de gingko vlakbij de hoofdingang. Hij wuifde me nabij met zijn weelderige takken vol generfde waaiers en heette me in al zijn jeugdige enthousiasme welkom. De zon scheen uitbundig op zijn bladerdak. Bijna had ik een buiging voor hem gemaakt, voor die boom uit de oertijd der bomen die driehonderd miljoen jaar geleden al vrijwel van de aarde verdwenen was, maar uiteindelijk alle natuurrampen en zelfs de atoombom op Hiroshima wist te overleven. Vlak om hem heen stonden twee eiken, nakomelingen van de bomen die lang lang geleden vereerd werden bij het orakel van Dodona en in de druïdebossen van Angel-Saxië en Gallië. Aan de andere kant van het gazon stond een groepje platanen trots te zijn dat hun voorouders nog vereerd waren door de farao’s in het oude Egypte. Naast de platanen stond een grote kastanjeboom het gazon te besproeien met bleke bloesems. Hij had een omvang bereikt die de omvang van de de kastanjes in de oude bossen van middeleeuws Europa evenaarde, waar het geluid van het omvallen van zo’n boom bekend stond als een ‘donderslag bij heldere hemel’. En een stukje verderop, in de kijkrichting van mijn oude werkkamer, zag ik tot mijn verbijstering een sequoia van een meter of twintig hoog staan, fier als de mast op een vlaggeschip.

Ik herinnerde me dat ik tijdens mijn werk meer dan eens afwezig uit het raam had zitten staren, dagdromend van sequoia’s, die levende fossielen die samen met de gingko’s alle huidige soorten bomen hadden zien ontstaan, de dinosauriërs hadden zien komen en gaan en op enkele geïsoleerde plekken op aarde hun laatste thuis hadden gevonden. Ik droomde dan dat ik er ook een keer een zou zien, zo’n gigant van achthonderd of duizend jaar oud en meer dan honderd meter hoog met in zijn onmogelijk dikke takken holtes gevuld met vijvers waarin planten groeien en schaaldiertjes en amfibieën leven. Nooit heb ik toen geweten dat er niet ver achter de magnolia bij mijn werkkamer een jonge sequoia langzaam maar onstuitbaar bezig was boven alle gebouwen en andere bomen uit te groeien. Ik werkte met blinden, maar was ongemerkt het blindst van allemaal geweest. Ik had die sequoia over het hoofd gezien zoals een woenstijnbewoner ooit de Arbre de Ténéré, een taaie acacia en het enige levende wezen in een omtrek van vierhonderd kilometer in het zuiden van de Sahara, over het hoofd had gezien en omver had gereden.

Inmiddels heb ik in de bossen in mijn omgeving nog twee sequoia’s ontdekt. De ene staat bij de ruïne van een landhuis uit het begin van de vorige eeuw. De eigenaar moet daar meer dan honderd jaar geleden een zaadje van een sequoia in de grond hebben gestopt. Van het huis staat nauwelijks nog iets overeind, maar de boom is ontkiemd en de andere bomen in zijn directe omgeving allang voorbij gegroeid. De andere staat op het terrein van een groot landgoed dat nu in bezit is van een hotelketen. De toenmalige landheer liet zijn oprijlaan indertijd verfraaien met een aantal exotische bomen waarvan de sequoia letterlijk en figuurlijk het hoogtepunt moest gaan vormen. Hij is pas een jaar of honderd, en vijvers in de holten van zijn takken heb ik nooit kunnen vinden, maar prachtig is hij zeker. Hij maakt onderdeel uit van het bosgebied dat begint aan de rand van de stad en doorloopt tot in Duitsland. Het vormt een ondergronds, plooibaar, veranderlijk netwerk van doelgerichte, van elkaar afhankelijke levens dat samenwerkt met behulp van kilometerslange schimmeldraden die als een zenuwnetwerk door heel de aarde lopen. Al die bomen communiceren met elkaar via de lucht en hun wortelstelsels. Ze kunnen proeven, ruiken en voelen. Ze nemen koolstof op, zuiveren water, houden de grond vruchtbaar, filteren gif uit de grond en stabiliseren het klimaat. Ze voelen de aanwezigheid van naburig leven, en kunnen het ‘ruiken’ als dat leven ziek is of gevaar loopt. Ze zorgen onvoorwaardelijk voor elkaar, en ze zullen er ongetwijfeld nog steeds zijn als onze soort allang ten onder is gegaan aan hebzucht, kortzichtigheid, blinde woede en een fataal gebrek aan onvoorwaardelijkheid. Want liefde is een ander woord voor onvoorwaardelijkheid, en waar die ontbreekt of ondervoed raakt sterft uiteindelijk iedereen.

Intussen heb ik in allerlei hoeken en gaten gekeken en geleerd van de dingen die vlak voor mijn neus staan en me vaak herinneren aan de woorden van de Schotse schrijfster Nan Shapherd: “Toen ik lang gekeken had, wist ik dat het kijken nog maar nauwelijks begonnen was. Het oog ziet nu dingen die ik eerder niet zag, of ziet op een nieuwe manier wat het al eerder had gezien. Hetzelfde geldt voor het oor en de andere zintuigen. Die momenten zijn onverwacht, maar lijken geregeerd te worden door een wet waarvan de werking nauwelijks wordt doorgrond.” Door zo te lopen heb ik dingen leren kennen, al was het slechts mijn eigen onwetenheid. Ik houd de plek waar ik woon in het oog, in alle seizoenen, om het land te zien zoals het werkelijk is: een wonderlijk, levend schepsel dat bestaat uit bomen, grassen, bloemen, vogels en wolkenluchten.

Terwijl ik door velden en bossen loop, verbaas ik me over de veerkracht van de bomen. Ik dank een stervende douglasspar dat hij zijn opgeslagen mineralen terugstuurt naar zijn wortels en zo andere organismen zijn laatste restjes levenskracht schenkt. Ik raap stenen op die alleen ik waarschijnlijk maar mooi vind en leg ze thuis op de vensterbank. Ik luister naar de zwermen ganzen die aan het eind van het jaar boven de polder vliegen. Ze praten onophoudelijk met elkaar, in de lucht en op de grond, als gasten op een receptie. Ik sta met open mond te kijken als een groep van zeventien kraanvogels groepsgewijs aan het eind van de dag voor de maan langsvliegt. Ik zie de voetafdrukken van mensen die eerder dan ik een met sneeuw bedekt bruggetje zijn overgestoken. Ik oogst de oogst van het stille oor. Mijn blik is veranderd en verandert nog steeds, en niets is meer gewoon. Het gewone heeft plaatsgemaakt voor het wonderbaarlijke en het onbevattelijke. Ik leer iedere dag van de dennen en de beuken. Ik zie ze naar de wereld staan kijken en zijn pijnen dragen terwijl ze in stilte staan te groeien. Soms verlang ik er heimelijk naar een van hen te zijn, een stille getuige die met zijn armen zwaait als het waait. Ik zie de beekjes door de dalen stromen en de eenden met gereven vleugels tegen de harde wind in vliegen of door onrustig water peddelen om te zien wie ik ben voordat ze naar elders vertrekken. Ik zie de aarde zoals de aarde zichzelf moet zien. Ik leer van de manier waarop de dingen één ding vormen. Ik voel de diepe ziel ervan, die ook mijn ziel is.